Wonden 'twintigjarige stadsoorlog' nog vers

AMSTERDAM, 28 NOV. De Grachtenkrant 'vreest het ergste'. Het Amsterdamse krakersperiodiek van deze maand nam alvast een voorschot op de film De stad was van ons, die zaterdag tijdens het IDFA in première gaat. “Worden Jack en maatje Theo ook gespaard”, vroeg de redactie zich af. En: “Waarom zou je deze PVK'ers nog aan het woord laten? Is dat nu echt nodig? Nu al vergeten dat al hun geweld de (kraak)beweging ernstig beschadigde (zacht uitgedrukt)? En moeten de erin voorkomende krakerstertjes zich niet ietsiepietsie schamen dat je in dezelfde film voorkomt als J + T?”

De 'twintigjarige stadsoorlog' (de term is van schrijver Geert Mak) ligt misschien wel achter ons, de wonden zijn nog vers. Een klein beetje zout, of alleen al het vermoeden van zout, en het begint weer te schrijnen. “Ze hebben de film niet eens gezien”, zegt regisseur Joost Seelen. Hij herkent, na drie jaar werken aan dit onderwerp, moeiteloos de reflex van het actiewezen: wie niet heel hard schreeuwt dat hij voor ons is, is dus tegen ons.

In ruim anderhalf uur beschrijft De stad was van ons de opkomst en ondergang van de Amsterdamse kraakbeweging als politieke factor van betekenis. De documentaire laat zich bekijken als een stadskroniek van 1979-1982, met een epiloog in 1988 en een nabeschouwing uit 1996.

Het is niet dè film over de kraakbeweging, aldus Seelen. “Wij hebben niet het verhaal verteld van de vele kunstenaars en muzikanten die uit deze beweging zijn voortgekomen. Of van het vrouwencollectief dat garage De Knalpot bestierde. Het is geen film geworden over de sociale kant van het krakersleven. Wij hebben onze aandacht gericht op de politieke kant. Dat is een keuze.”

Door zijn woorden schemert een routine; deze keuze heeft hij vaker moeten verdedigen. “Wij moesten de mensen over de streep trekken.” Bijgestaan door Eric Duivenvoorden, de beheerder van het officieuze archief van de kraakbeweging, zocht Seelen de krakers uit die tijd op. Veel getuigen aarzelden of ze mee zouden doen. Duivenvoorden: “De kraakbeweging was een geheim genootschap. Je sprak niet met buitenstaanders. Harri, een van de ondervraagden, zei ons: 'Hier heb ik vijftien jaar niet over gepraat'.”

Dat is niet zo vreemd, vindt Seelen, als je bedenkt dat voor veel krakers de periode met een kater afliep. Veel van degenen die hij sprak zijn onderweg afgehaakt, toen het geweld dat tegen de politiemacht werd ingezet steeds grimmiger werd. Paulien vertelt dat ze de hermetisch gebarricadeerde Groote Keyser verliet toen ze hoorde dat er Molotov-cocktails klaarlagen voor de dreigende ontruiming. Voor Theo hoorde het erbij. “Als je de confrontatie aangaat, moet je tot het uiterste gaan. Als je een ijskast op het dak zet, moet-ie er ook af kunnen.”

Zorgvuldig trekt Seelen deze lijnen steeds verder uiteen, tot ze recht tegenover elkaar staan en de hele, vrolijke eenheid van het begin in duigen valt bij een crisis rond het kraaksymbool de Groote Keyser. Daar 'arresteert' het ene kamp van de krakers, leden van het andere en haalt Jack ten slotte een stroomstok tevoorschijn bij de ondervraging van kraker Jan.

Het feit dat Theo en zijn 'generaal' Jack voor de camera zijn verschenen is het grootste en meest omstreden wapenfeit van de film. “Het heeft me een paar jaar gekost om Theo te krijgen”, grijnst Duivenvoorden. Zij domineerden destijds de politieke vleugel van de kraakbeweging (de 'PVK'), die eerst de harde kern was van de strijd tegen de Mobiele Eenheid, maar die ten slotte als een geheime politie de morele standvastigheid van de krakers ging bewaken.

De angst van de andere geïnterviewden was dat het te veel een 'Theo en Jack film' zou worden. “Alsof die de hele kraakbeweging waren.” Die angst blijkt ongegrond. Seelen heeft weliswaar het perspectief van het machtsspel gekozen, waardoor automatisch veel aandacht wordt opgeëist door de protagonisten daarin, maar hij heeft door zijn wijze van filmen nog een extra dimensie toegevoegd. “Alle getuigen hebben wij in ruime kaders gefilmd, zodat je een stuk van hun huidige interieur ziet.”

Subtiel worden zo de achtergronden, misschien ook de noodzakelijkheid van de scheuring ingekleurd. De smaakvolle stoel van Annegriet, de steigerpijpen achter dakloze Ruud, de huisje-boompje-beestjekamers van sommige anderen, vertellen evenveel over de verschillen in de beweging als hun uitspraken over vijftien jaar geleden.

    • Bas Blokker