Slim en slijtvast

Het maken van plastic geld is moeilijk te imiteren - al is er soms cryptologie nodig om dat te voorkomen.

EEN DING IS zeker: credit cards, chipknippen, telefoonkaarten en ander plastic geld zijn niet op een achternamiddag op de knutselzolder na te maken. Het produktieproces is te ingewikkeld en vooral te duur om zo maar door een digitale valsemunter te kunnen worden geïmiteerd.

Het aanmaken van de plastic kaartjes is zo kostbaar dat uitgeverij-drukkerij Enschedé/SDU ze zelfs uitsluitend in internationaal verband wil produceren. Om in de geschatte Nederlandse behoefte van 30 miljoen stuks te voorzien werkt de drukkerij samen met het Duitse bedrijf Giesecke & Devrient. “Die kaarten zijn inmiddels een commodity geworden”, zegt een woordvoerder van Enschedé/SDU “en dus te duur om in je eentje te maken”.

Hoe wordt plastic geld gefabriceerd?

Allereerst: het formaat. De omvang van al die kaartjes ligt nauwkeurig vast. Net als Europese identificatiekaarten en paspoorten hebben ook credit cards, bankpassen, enzovoorts volgens ISO-normen vastgestelde afmetingen: lengte, breedte, hoogte en de mate van ronding van de hoeken. Dat is ook niet zo verwonderlijk: alle kaartjes moeten in dezelfde sleuven passen. Hetzelfde geldt voor de 'contactpunten' op de kaart, die ervoor zorgen dat hij kan worden 'gelezen'. De kunststof zelf hoeft alleen maar een hoge mate van slijtvastheid te bezitten.

De kostbaarheid van het maken van de kaarten zit hem vooral in de verwerking van informatie. De kaarten zijn in twee categorieën in te delen: kaarten met een chip (chipkaarten) en kaarten met magneetstrips (magneetkaarten). De chipkaart wordt ook wel als smart card betiteld, aangezien hij meer en ingewikkelder informatie kan bevatten en soms zelfs nieuwe elektronische gegevens kan opslaan en verwerken. De chip die in het plastic kaartje zit ingebouwd, doet dienst als microprocessor, een computertje. De grootste bekendheid geniet de Franse télécarte waarmee de beller in een telefooncel zelfs kan bellen op eigen rekening.

Wanneer bijvoorbeeld de Nederlandse posterijen een telefoonkaart willen bestellen, kunnen ze de specificaties hiervoor (laten) opstellen, waarna een 'masker', een soort mal, voor de chipproduktie wordt aangemaakt. Chipfabrikanten produceren vervolgens de gewenste chip aan de hand van dit masker. In de geproduceerde chip zit ook al het 'besturingssysteem', net zoals DOS bij een gewone computer. De rest van de per individu verschillende programmatuur - “Geachte mijnheer de Vries, U moet zich onmiddellijk in verbinding stellen met uw bank” - wordt er door de afnemer 'opgeladen'.

Een kaart met een magneetstrip is simpeler te maken dan eentje met een chip. Zo'n strip verschilt eigenlijk niet veel van een stukje audio-tape: een dun, plastic stripje met een emulsie van metaaloxiden. Daarop staan vaste gegevens, die met behulp van een speciale machine - al dan niet na het intikken van het Persoonlijk Identificatie Nummer, PIN , kunnen worden gelezen. Daarna zoeft een elektrische deur open, de telefoon in een openbare cel produceert een kiestoon of de bankemployee likt eens aan haar vingers en begint biljetten uit te tellen. Ook voor de afmetingen van de magneetstrip bestaan ISO-normen: hoeveel 'sporen' mogen erop, wat voor informatie moet er op elk spoor staan en waar moet de strip precies op de kaart zijn bevestigd.

Op een magneetkaart kan geen besturingssysteem worden 'geladen'. Het is een elektronische sleutel, waarmee bijvoorbeeld tijdelijk contact kan worden gezocht met de centrale computer van een bank. Een chipkaart heeft geen hulp van zo'n computer nodig.

De beveiliging van chipkaarten en magneetkaarten is - om voor de hand liggende redenen - in nevelen gehuld. De eerste magneetkaarten waren allesbehalve goed beschermd tegen digitale valsemunters. Via een simpel algoritme, een omrekening, was het PIN-nummer uit het bankrekeningnummer betrekkelijk eenvoudig te herleiden. Het hardnekkige standpunt van banken dat inbreken onmogelijk zou zijn, werd al snel weerlegd door enkele criminele spijtoptanten zelf.

Geavanceerdere cryptologie - voorheen een militair en diplomatiek monopolie - moest op grote schaal uitkomst bieden. De PIN van een credit card is tegenwoordig niet meer te herleiden, tenzij het algoritme bekend is èn de PIN. De beveiliging vanchipkaarten is veel simpeler. De architectuur van de chip verhindert dat delen van het geheugen bereikbaar zijn voor al te nieuwsgierige leeskoppen; iets wat bij de magneetstrip per definitie onmogelijk is.

Het namaken van chip- en magneetkaarten is dus bijna onbegonnen werk geworden. De altijd op bankbiljetten gedrukte passage uit Wetboek van Strafrecht dat “hij die muntspeciën of munt- of bankbiljetten als echt en onvervalscht wil uitgeven of wil doen uitgeven”, wordt op de plastic kaartjes dan ook tot op heden niet aangetroffen.

    • Menno Steketee