Omstreden gedoogbeleid stilaan nagevolgd

ROTTERDAM, 28 NOV.Nederland dreigt ernstige diplomatieke schade op te lopen nu het zich met zijn drugsbeleid binnen Europa isoleert. Met name Zweden en Frankrijk, waar volgens berichtgeving in de media de behandeling van druggebruikers valt te vergelijken met “de manier waarop van oudsher krankzinnigen worden aangepakt”, bezien de Hollandse gedoogpolitiek met argusogen. Zweden beklaagt zich bovendien over de aanvoer van amfetamine vanuit Nederland.

Krantenberichten uit 1973, toen het gedoogbeleid in Nederland nog geen kracht van wet had, maken duidelijk dat de huidige discussie niet erg verrassend is. Binnen Europa was Denemarken nog het lichtend voorbeeld van een 'pragmatisch' drugsbeleid, op de voet gevolgd door Nederland. Daar tegenover stonden Zweden, Frankrijk en in mindere mate West-Duitsland als handhavers van een harde, 'ideologische' lijn. Nog altijd komt Nederland in het nieuws als het Sodom en Gomorrah van seks, drugs en euthanasie. Maar elementen van het drugsbeleid, zoals methadonverstrekking en spuitenomruil aan verslaafden, zijn inmiddels stilzwijgend door vrijwel alle lidstaten van de EU overgenomen. Inclusief Frankrijk, zij het op zeer bescheiden schaal. En volgens recente berichten dreigt Nederland door Italië en enkele Duitse deelstaten zelfs linksom te worden ingehaald.

Nederland nam in 1976 binnen Europa het voortouw over van Denemarken met een wijziging van de Opiumwet. Drijvende kracht toen was minister Vorrink van Volksgezondheid, wier zoon Koos Zwart wekelijks voor de VARA-radio de hasjkoersen voorlas. In de nieuwe Opiumwet werd een onderscheid ingevoerd tussen cannabis (softdrugs) en drugs met een 'onaanvaardbaar risico' (harddrugs). Het bezit van ten hoogste dertig gram cannabis werd van een misdrijf een overtreding, die vanwege het opportuniteitsbeginsel niet langer werd vervolgd. Tegelijk bleef de handel in softdrugs een misdrijf.

Gebruik van harddrugs werd voortaan eerder gezien als een sociaal-medisch dan een crimineel probleem. Het beleid richtte zich op minimalisering van gezondheidsschade en normalisering van het leven van verslaafden, bijvoorbeeld door verstrekking van schone spuiten en methadon, een synthetisch opiaat dat afkickverschijnselen tegenging. Deze gedeeltelijke acceptatie van verslaving betekende niet dat de handel in harddrugs ongemoeid werd gelaten. De straffen gingen in 1976 fors omhoog, minister Van Agt van Justitie bezocht de Verenigde Staten om te leren hoe Nederland drugshandel effectiever kon aanpakken.

Het duurde nog zo'n zeven jaar voordat in Nederland de praktijk van het drugsbeleid zijn vorm vond. Aanvankelijk werd cannabis door informele 'huisdealers' verkocht in gesubsidieerde jongerencentra. Toen de gemeenteraad van Enschede eind 1982 besloot de hasjhandel in jongerencentrum 'De Kokerjuffer' zelf ter hand te nemen en daartoe de stichting 'Iris' oprichtte, bleek dat echter een stap te ver. West-Duitsland protesteerde, Zweden riep de Nederlandse ambassadeur op het matje en hoofdofficier van justitie Gonsalves verbood het experiment. De toekomst was aan de 'coffeeshop'. Hasjhandel werd in de jaren tachtig uitbesteed aan ongemakkelijk op de grens tussen boven- en onderwereld balancerende horeca-ondernemers.

Ook op andere punten stuitten drugsliberalen begin jaren tachtig op de grenzen van het drugsbeleid. De Rotterdamse wethouder Schmitz pleitte in 1979 samen met haar Amsterdamse ambtsgenoot voor een 'kleinschalig wetenschappelijk experiment' met verstrekking van heroïne aan 'hopeloze' verslaafden. In 1983 sprak het kabinet zijn veto uit over dit plan. De hulpverlening beperkte zich jarenlang tot methadonverstrekking en kleine experimenten met heroïnververvangers als palfium of morfine. Pas vorig jaar, Schmitz is dan alweer een jaar staatssecretaris op Justitie, wordt heroïneverstrekking weer overwogen.

Vanaf 1983 leerde rechts met het Nederlands drugsbeleid te leven en staakte links de pogingen het nog wat verder op te rekken. Binnen Europa bleef het gedoogbeleid echter controversieel. In de jaren tachtig kreeg Nederland met name kritiek te verduren van Zweedse en Duitse zijde. Zweedse kritiek was veelal ideologisch: Nederland was “bij de pakken neer gaan zitten” en had de hoop op een drugsvrije samenleving opgegeven, zo zei de Zweede staatssecretaris van volksgezondheid Sigurdsen bijvoorbeeld in 1983.

De Duitse kritiek was praktischer van aard. Vanaf eind jaren zeventig trok het fenomeen 'drugstoerisme' de aandacht. Amsterdam werd het eindpunt in een exodus van duizenden drugs-emigranten, die bij aankomst in het beloofde land niet zelden aan een overdosis bezweken door de hoge zuiverheid van Nederlandse heroïne. In grensplaatsen als Enschede, Arnhem en Heerlen onstond een op Duitsland gerichte drugshandel, die een permanente stroom dagjesmensen aantrok. Dit probleem van de 'aanzuigende werking' bleef: volgens de drugsnota is een kwart van de naar schatting achthonderd miljoen die jaarlijks aan drugshandel wordt verdiend, afkomstig van buitenlanders.

West-Duitsland verscherpte na 1983 de controle aan de Nederlandse grens en klaagde periodiek over de toenemende smokkel. Harm Dost werd het symbool van Duits-Nederlands onbegrip: deze hasjhandelaar werd door het Duitse gerechtshof tot tien jaar celstraf veroordeeld wegens verkoop van hasj aan Duitse jongeren op Nederlandse bodem. De oorzaak van de toenemende Duitse drugscriminaliteit lag in “de grote beschikbaarheid van verdovende middelen in Nederland”, zo wist de Duitse vakbondsleider Bleibtreu.

In het midden van de jaren tachtig maakte zich niettemin tevredenheid meester van de Nederlandse beleidsmakers. Het drugsgebruik onder de Nederlandse jeugd stabiliseerde zich, terwijl het in omliggende landen toenam. Onder invloed van de aidsepidemie maakte de Nederlandse benadering van verslaving school. De belangstelling voor spuitenomruil en methadonverstrekking groeide, want injecterende verslaafden vormden een risicogroep voor verspreiding van het HIV-virus. Eind jaren tachtig volgden de onderhandelingen over het Schengen-verdrag. Met het verdwijnen van de grenscontrole moest er enige harmonisering in het drugbeleid komen, beseften de deelnemende landen. Twee mogelijkheden deden zich voor: harmonisering van het drugsbeleid of een nauwere justitiële samenwerking. De tweede optie bleek de enige mogelijke. Nederland kreeg in het Schengen-verdrag ruimte om het afwijkende beleid te handhaven, zolang de 'grensoverschrijdende effecten' naar vermogen werden beperkt. De meest in het oog springende Nederlandse poging hiertoe werd het vervangen van de '30-grams norm' door een '5-grams norm' in de nieuwe drugsnota.

In de jaren negentig ontpopte Frankrijk zich als voornaamste criticaster van het gedoogbeleid. In Duitsland verstomde de kritiek. Deelstaten die aan Nederland grensden, namen grote delen van het Nederlandse drugsbeleid over. Methadonverstrekking, gedoogplaatsen en spuitenomruil vonden in de noordelijke Bundesländer ingang; de deelstaat Sleeswijk-Holstein neemt nu met het plan voor cannabis-verkoop via apotheken ook stappen richting een 'scheiding der markten' van soft- en harddrugs. Ook in Frankrijk leek begin jaren negentig onder leiding van de gezondheidsministers Veil en Kouchner de sociaal-medisch aanpak veld te winnen. Dat leidde tot interne conflicten met het 'politie-ministerie' van binnenlandse zaken. Waar Volksgezondheid methadonklinieken liet openen, arresteerde de Franse politie de klanten soms aan de poort. Het was de Franse minister Quilles van binnenlandse zaken die tot grote woede van president Lubbers eind 1992 voor het eerst het “lakse Nederlands drugsbeleid” openlijk onder schot nam tijdens de discussie over de vestigingsplaats van de Europese drugspolitie Europol.

Onder zijn opvolger Pasqua escaleerde het Frans-Nederlands conflict. Frankrijk handhaafde in strijd met het Schengen-verdrag de grenscontrole totdat Nederland zijn positie zou herzien, liet Pasqua in 1994 weten. Premier Kok reageerde “verbaasd”. Met het aantreden van president Chirac werd de druk verder opgevoerd. Begin 1995 had Chirac, toen burgemeester van Parijs, al laten weten het Nederlands drugsbeleid “schandalig”, “hypocriet” en “absoluut onacceptabel” te vinden. Die toon werd nauwelijks verzacht toen hij later dat jaar tot president werd gekozen. Koks verbazing maakte langzaam plaats voor ergernis.

Tijdens een werkdiner in het Elysée in november 1995 kwamen de partijen schijnbaar nader tot elkaar. 'Megafoon-diplomatie' leidde tot niets, zo leken Chirac en Kok te erkennen. Kok verklaarde dat Nederland zich niet te zeer op haar successen mocht beroepen zolang het land een hoofdrol speelde in de distributie van drugs over Europa en groot-exporteur was van synthetische drugs. Chirac erkende van zijn kant dat het verslavingsprobleem in Frankrijk veel ernstiger vormen had aangenomen dan in Nederland.

De rust duurde kort. In februari dit jaar werd een gezamenlijk bezoek van president Chirac en bondskanselier Kohl aan Den Haag afgeblazen toen duidelijk werd dat het duo met lege handen zou terugkeren. In maart schreef een Franse senaatscommissie onder leiding van senator Masson in een rapport dat Europa zich niet de luxe kon veroorloven “een narco-staat op haar grondgebied te dulden”. Nederland moest gebruik, handel en uitvoer van drugs hard aanpakken en onder curatele worden gesteld van de EU-partners, aldus Masson. Premier Kok eiste dat de Franse regering afstand nam van de kwalificatie 'narco-staat'.

Even daarna pleitte Chirac in een opiniestuk in Libération voor harmonisering van het Europese drugsbeleid naar Frans model. In april riepen Franse parlementariërs op tot een boycot van Nederlandse produkten. In juni hekelde Chirac tijdens de Europese top van Florence opnieuw het Nederlandse beleid. Minister van buitenlandse zaken Van Mierlo: “Je geduld wordt beproefd.”

Komende maand zal blijken of Nederland een veto moet uitspreken over een gezamenlijk Europees document ('action commune') over het drugsbeleid. Zoals eerder het Schengen-verdrag, biedt dit document Nederland op het eerste gezicht impliciet enige speelruimte om het eigen beleid te handhaven. Maar kennelijk wil het kabinet nu ook een expliciete goedkeuring.

    • Coen van Zwol