Omgekeerd bundelen lost files niet op

Met stijgende verbazing heb ik het artikel 'Omgekeerd bundelen' van J. Nicolai gelezen (NRC Handelsblad, 23 november). Zijn pleidooi voor aanleg van een autowegennet in de spoorberm vraagt dan ook om een reactie.

Nederland wordt steeds kleiner en een bijzonder groot deel van de kostbare ruimte wordt opgeslokt door het autogebruik. Een pleidooi voor een uitbreiding van het autowegennet met de helft lijkt dan ook meer de echo van autolobbyend Nederland dan de overweging van een professioneel ruimtelijk ordenaar.

Ook de praktische invulling die Nicolai voor ogen staat is niet bepaald realistisch. Langs de spoorbanen buiten de steden zou inderdaad zonder al te veel civiel-technische problemen een aantal rijstroken kunnen worden aangelegd. Ware het niet dat het aanhoudende lawaai en de doordringende stank van het autoverkeer in deze natuur-, weide- of woongebieden een ontoelaatbare belasting vormt in vergelijking tot de relatief geringe milieubelasting van de elektrische aangedreven treinen.

Eenmaal bij de steden aangekomen, daar waar de ruimte schaars is, wil hij de nieuw aan te leggen wegen weer aansluiten op de bestaande ringwegen. Een effectievere vergroting van het fileprobleem kan ik mij niet voorstellen. Daar waar de spoorwegen tot in het stadscentrum reiken, zullen de 'railwegen' bij het kruisen van de ringwegen de vele autos gewoon weer in de bestaande files spuwen.

Bovendien zal een groter accent op het autoverkeer, dat niet verder dan de ringweg rijdt, leiden tot een grotere onbereikbaarheid van de binensteden. Bedrijfseconomische ontwikkeling zal zich nog meer concentreren langs de randen van de steden, met als gevolg dat het Amerikaanse schrikbeeld van de donut cities (steden met een gat in het midden op de plek van de eens zo bruisende binnenstad) ook hier bewaarheid wordt.

Ook de Nederlandse Spoorwegen zullen niet bij dit idee staan te juichen. Grond langs hun tracés afstaan voor een uitbreiding van het autogebruik lijkt op de ondertekening van het eigen doodvonnis. De broodnodige uitbreiding van de capaciteit van de spoorwegen wordt nagenoeg onmogelijk gemaakt. Mocht de NS toch overwegen de ruimte naast de rails te benutten voor een geavanceerd vervoerssysteem, dan lijkt het nog niet verstandig eerst het conventionele autoverkeer (al dan niet betalend) op hun spoorbermen toe te laten. In de toekomst zal het dan erg moeilijk worden deze vertrouwde verkeersstroom te vervangen voor een geheel geautomatiseerd systeem van collectief personenvervoer dat zijn nut nog niet in de praktijk bewezen heeft. Wat de automobilist eenmaal in handen heeft, staat hij immers zeer zelden af.

Kortom, de grootschalige uitbreiding van de automobiliteit, waar op zichzelf al afwijzend tegenover zou moeten worden gestaan, te realiseren door middel van het aanleggen van wegen in de spoorberm is een onzalig plan. De dodelijke concurrentie voor het vervoer per spoor, de explosieve toename van de files op de wegen naar de stad en de vergroting van de druk op het binnenstedelijke gebied, vormen tezamen een van de slechtste oplossingen voor het Nederlandse verkeersprobleem.