Minderwaardige beloning duidt op minderwaardig werk

Verschillende politieke partijen, waaronder de coalitiepartners VVD en D66, willen werklozen verplichten tijdelijk werk aan te nemen beneden het minimumloon. Bij weigering zou op hun uitkering gekort moeten worden. J.J. Godschalk vindt dat een verwerpelijk voorstel.

Werklozen verplichten (tijdelijk) werk aan te nemen tegen een vergoeding die onder het minimumloon ligt, is vanuit marktoverwegingen een redelijk voorstel. In werkgeverskringen is hier herhaaldelijk op aangedrongen. En wanneer naar het grote voorbeeld op het gebied van de arbeidsplaatscreatie, de Verenigde Staten, wordt gekeken, ziet men dat een lage beloning inderdaad arbeidsplaatsen oplevert.

Toch is het de vraag of dit een goed beleid is. Ik heb de indruk dat de voorstanders de implicaties van dit voorstel niet zorgvuldig overwogen heben. Op een drietal problemen zou ik in dit verband willen wijzen.

In de eerste plaats werd indertijd bij de vaststelling van het minimumloon mede gedacht aan een in de samenleving minimaal noodzakelijk inkomen. Een verlaging tot 70 procent van het minimumloon, zoals is voorgesteld, kan de werkende in kwestie licht onder de armoedegrens brengen.

Daarbij moet men zich realiseren dat de grote meerderheid van de langdurig werklozen (langer dan een jaar werkloos) tussen de 25 en 55 jaar oud is. Het is daarom waarschijnlijk dat de meesten van hen gezinsverplichtingen zullen hebben. Deze mensen zullen daardoor bij die zo laaggehonoreerde baan nog steeds een beroep moeten doen op de Sociale Dienst. Dat is weliswaar in de wetgeving voorzien, maar moet op zijn minst onelegant genoemd worden. In de historie van de verzorgingsstaat gelegitimeerde uitkering wordt hier immers vervangen door een onderbetaalde baan.

In de tweede plaats zal de mogelijkheid van aanstelling onder het minimumloon leiden tot een verdringen van werkenden met een naasthogere beloning. De evenals de overheid calculerende ondernemer zou immers een dief van eigen portemonnee zijn wanneer hij van deze kans op arbeidskostenreductie geen gebruik zou maken. Een ontwikkeling die men bij de Melkertbanen al kan waarnemen.

In de derde plaats wordt hier een te beperkte opvatting van de betekenis van de hoogte van het loon gehanteerd. Voor de werknemer is de hoogte van het loon niet alleen bepalend voor zijn consumptiemogelijkheden, maar is het ook een indicatie van het belang dat er in de gemeenschap aan zijn werkzaamheden wordt gegeven.

Als zodanig is een goed loon essentieel voor zijn gevoel van eigenwaarde. De emancipatie van de arbeider in de naoorlogse periode is verbonden met zijn sterk toegenomen welvaart, waardoor hij in materieel opzicht volwaardig deel kan nemen aan de samenleving, maar anderzijds is het toch in de eerste plaats een gevolg van zijn erkenning als volwaardig lid van een produktie- of dienstenorganisatie. En dat wordt in hoofdzaak aangegeven door de hoogte van het loon. Terwijl ook de verschillen in beloning gebaseerd dienen te zijn op beredeneerde gronden.

Met name tijdens de regering-Den Uyl was het uitgangspunt dat eigenlijk alleen verschillen in opleiding, bekwaamheid en verantwoordelijkheid bepalend mochten zijn voor verschillen in beloning. De precies vastgestelde beloningsafstanden tussen ambtelijke rangen werden aan het bedrijfsleven ten voorbeeld gesteld en door onderzoek werd geprobeerd zicht te krijgen op de normen en waarden die op dit gebied leefden onder de bevolking.

Ideeën uit John Rawls' Theory of Justice werden zowel in wetenschappelijke als politieke kringen met interesse gelezen. Met name zijn 'Difference Principle' - de hogere eisen van de beter gesitueerden zijn alleen rechtvaardig als ze een onderdeel vormen van een opzet die de verwachtingen zal verbeteren van degenen die in de samenleving het minst bevoordeeld zijn - werd als een goed uitgangspunt voor beleid gezien.

Economen als Tinbergen en Pen brachten de bestaande inkomensongelijkheid kritisch in beeld en er werd naar meetmethoden gezocht om tot een rechtvaardiger verdelingssysteem te komen. Dat was in een periode van voortdurende welvaart. Bij elke verdeling van het toen bestaande surplus was iedereen beter af en solidariteit met de onderkant van de maatschappelijke ladder hoefde niemand een cent te kosten.

Intussen is de situatie veranderd. De tijd dat alles mogelijk leek is voorbij. Maar de welvaart is nog steeds groot. De consumptie bevindt zich op een hoog peil, er wordt meer gespaard dan ooit en de winsten in het bedrijfsleven bereiken nieuwe toppen. Inkomens van topfunctionarissen worden nog steeds verhoogd. Hoge ambtenaren krijgen premies van tienduizenden guldens. Falende functionarissen worden afgekocht met miljoenenbedragen.

Er is op zich niets tegen hoge inkomens, maar dan wel op voorwaarde dat de inkomens lager in de sociale hiërarchie niet verwaarloosd worden en dat daar een aanvaardbare argumentatie voor wordt aangevoerd. En die argumentatie zal verband moeten houden met het belang van de organisatie in kwestie en zo mogelijk met het belang van de samenleving als geheel.

Daarbij zal ook het belang van werknemers en werkgelegenheid in acht genomen moeten worden. Wanneer een bestuurder van Kluwer zegt dat het behoud van arbeidsplaatsen niet zijn zaak is, of een nieuwe topman van Reed Elsevier verklaart dat hij alleen te maken heeft met de aandeelhouders, dan voel ik me teruggeplaatst naar de negentiende eeuw. Dat soort uitlatingen is toch volstrekt in strijd met de na de Tweede-Wereldoorlog gepropageerde solidariteit van kapitaal en arbeid.

Vanuit de moderne economische theorie zal dit op eigen- en kapitaalsbelang gerichte beleid als rationeel en goed gezien worden. Maar misschien is dat wel juist een fout van die theorie. Wanneer in de uitgangspunten van de economische theorie onderscheid wordt gemaakt in een ethische basis en een technocratische achtergrond, dan heeft die laatste in de post-Keynesiaanse periode de overhand gekregen.

De Amerikaanse econoom Amartya Sen, specialist op het gebied van ongelijkheid, verwijt de 'positieve economen' dat zij te weinig aandacht hebben voor een normatieve analyse en dat ze daardoor geen oog hebben voor complexe ethische overwegingen die van grote invloed zijn op actueel menselijk gedrag. Robert Heilbroner spreekt in een recente publicatie zelfs van een gebrek aan visie in het moderne economische denken.

De breedheid van de visie van de klassieke economen is opgeofferd aan een precisie van analyse op een betrekkelijk beperkte schaal en daarmee hebben de economen zich middelen voor een visie op de toekomst, hoe onzeker misschien ook, uit handen laten nemen. Met 'piecemeal engineering', zoals die nu gebruikelijk is in het economisch beleid, zijn nog nooit grote maatschappelijke vraagstukken opgelost. Dan is er geen sprake meer van bestuur, maar kan beter van beheer gesproken worden.

Werkloosheids- en inkomensproblematiek los je niet op door een schuiven met het minimumloon. Dan wordt de verantwoordelijkheid gelegd bij het bedrijfsleven, dat deze verantwoordelijkheid juist met regelmaat afwijst.

Uit internationaal vergelijkend onderzoek is gebleken dat in Nederland het uitkeringsbeleid te lang heeft geprevaleerd boven een actief arbeidsmarktbeleid. In 1992 heeft de commissie-Wolfson geadviseerd zeventig- tot negentigduizend banen per jaar te creëren vooral in de gesubsidieerde zorgsector.

Daarbij werd niet gedacht aan minimaal betaalde Melkertbanen of de subminimaal gehonoreerde banen die nu worden voorgesteld, maar aan voor de betreffende sector gebruikelijke beloning.

Dit advies heeft nog niets van zijn waarde verloren. Mensen wensen niet alleen maar een inkomen, zij wensen loon naar werken. Een minderwaardige beloning betekent dat het daarvoor verrichte werk als minderwaardig moet worden beschouwd.