Kok moet stokpaardjes mijden

Kan Nederland iets klaarmaken gedurende het zes maanden durende voorzitterschap van de Raad van Ministers van de Europese Unie (EU)? Of rust er een te zware hypotheek op die positie, omdat de voorzitter er straks voor moet zorgen dat er in Amsterdam een herziening van de Verdragen tot stand komt?

Als dat een prioriteit is - en naar mijn mening zou het dat moeten zijn, omdat een betere besluitvorming, meer democratie en uitbreiding met de landen van Midden- en Oost-Europa essentieel zijn voor het voortbestaan van de EU -, wijkt alles daar dan voor? Die vraag geldt onder meer het veel geroemde Nederlandse drugsbeleid, maar ook de toelating tot de Economische en Monetaire Unie (EMU) van landen die niet aan alle criteria voldoen.

Het moet duidelijk zijn dat de periode van het voorzitterschap geen geschikte gelegenheid is om nationale stokpaardjes te berijden. Dat zou Nederland toch geleerd moeten hebben van de vorige keer, toen het zo nodig een ultra-federaal stuk voor Maastricht moest inbrengen dat op 'zwarte maandag' werd afgeschoten.

De kwestie van het drugsbeleid maakt duidelijk dat de ministeriële stammenstrijd een flink struikelblok kan zijn voor een succesvol voorzitterschap. Van tevoren moet er een lijstje met prioriteiten zijn opgesteld, liefst - zoals dat elders ook kan - gecoördineerd door de premier. Als Volksgezondheid en Justitie het niet eens zijn, is het niet verstandig daar de overige EU-partners mee te belasten. We hebben immers al genoeg aan ons hoofd met Chirac. In Europees verband kunnen we ons beter richten op het bestrijden van de zware internationale criminaliteit, want controle op elke koffieshop of straatdealer lukt toch niet.

Op welke deelgebieden valt er tijdens het Europese voorzitterschap dan wel iets te doen?

De voorzitter stelt agenda's op voor de Raadsvergaderingen en daar valt zeker iets te doen. Zelden of nooit wordt een nieuw onderwerp binnen één periode afgerond, maar de voorzitter kan wel iets hoger of lager op de prioriteitenlijst plaatsen.

Daar waar dossiers vastzitten, kan de voorzitter bemiddelen. Eigenlijk moet dit al achter de rug zijn als het voorzitterschap begint. Is dat niet gebeurd, moet de voorzitter tijdens de vergadering bilateraaltjes plegen en dan loopt hij de kans dat de rest wegloopt of gaat schuiven.

Samen met de Commissie voert de voorzitter alle onderhandelingen met niet-lidstaten. Voor een zeer groot gedeelte vallen de betrekkingen met derde landen onder de bevoegdheid van Commissaris Van den Broek en dat maakt het voor het Nederlandse voorzitterschap wat makkelijker. Maar op sommige gebieden heeft Nederland zelf aanzienlijke belangen en nog harde noten te kraken, zoals bij de onderhandelingen met Zwitserland over het vervoer, met Noorwegen, IJsland en Canada over visserijrechten en, in WTO-verband, over de vrije handel.

Op al die deelgebieden is het van het grootste belang dat er een naadloze coördinatie plaatsvindt, omdat er vaak de vreemdste onderwerpen - die meestal onder verschillende ministeries vallen - tegen elkaar uitgeruild kunnen worden. Zo zijn er in het verleden wel visrechten tegen immigranten verhandeld. Bij deze koppeling van dossiers kan Nederland gelukkig rekenen op een ingewerkte en kundige Permanente Vertegenwoordiging in Brussel onder leiding van ambassadeur Bot.

Het is nodig daar tijdig en met inzet van alle betrokkenen - desnoods op het hoogste niveau - bij de andere lidstaten nog enige Seelenmassage te verrichten. Minister Van Mierlo wil blijkens zijn nota vermijden dat de eigen inbreng opnieuw onderuit wordt gehaald.

Het is bovendien nodig, omdat de vooruitzichten voor 'Amsterdam' niet best zijn. In het Europese Parlement is een intern document opgesteld, waarin de standpunten van alle lidstaten over alle op de Intergouvernementele Conferentie (IGC) ter sprake komende voorstellen schematisch zijn weergegeven.

Er bestaat nog geen schijn van overeenstemming over de meest gevoelige onderwerpen, zoals: stemming bij eenvoudige meerderheid in de Raad, de bevoegdheden van het Europese Parlement, uitbreiding van de Unie, nauwere samenwerking van politie en justitie zonder vetorecht voor elke lidstaat en een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid. Wel is er - behoudens details - een consensus over rechten van de mens en anti-discriminatiebeleid, burgerrechten en minderhedenbeleid, sociaal en economisch beleid, cultuur en taal, de rol van de Commissie, vereenvoudiging en herindeling van wetgeving en openbaarheid.

Grote dwarsligger is het Verenigd Koninkrijk, dat wanneer andere lidstaten 'yes' stemmen, een 'no' pleegt te geven. Of andersom, zoals bijvoorbeeld bij de inperking van de bevoegdheden van en het recht van beroep bij het Hof van Justitie. Zolang de Britse verkiezingen niet voorbij zijn, ten laatste op 27 mei 1997, valt er geen goed garen te spinnen. Ook na die verkiezingen zal er met Blair of met Major nog straf onderhandeld moeten worden.

De voorzitter van de EU moet niet alleen bescheidenheid betrachten en eenstemmigheid bevorderen, maar het land in kwestie mag ook niet teveel hooi op de vork nemen door nieuwe ideeën te ventileren. Wat dat betreft heeft het Europese Parlement in de voorbereidingen voor de IGC al laten weten veel meer te hechten aan de gelijke en niet-discriminerende uitvoering van bestaande wetgeving. Het heeft weinig zin om Europese wetgeving over de invoering van nieuwe gecomputeriseerde controle-instrumenten voor het wegvervoer door te drukken als in een aantal landen de controle op de tachograaf niet eens plaatsvindt.

Nog iets over de toelating van lidstaten tot de EMU. Hoe moet er gehandeld worden met landen die niet aan de criteria voldoen, zoals Italië ? Dat zijn brisante en hoogst politieke vragen, die in laatste instantie ook op het hoogste politieke niveau van de Europese Raad besproken zullen worden.

De voorbereiding van dit voornamelijk technische dossier ligt niet alleen bij het Ministerie van Financiën, dat niet tot het meest eurofiele behoort, maar ook bij president Duisenberg van het Europese Monetaire Instituut en zijn collegae bankpresidenten. Dat dossier is daar in goede handen, zoals ook in Maastricht is gebleken. Dit was immers het enige onderdeel van het Verdrag dat nauwelijks door de Raad is veranderd en dus ook niet verpest.

Het is beter om nu, in de beginfase, zoveel mogelijk landen de EMU binnen te halen. De vereiste discipline kan dan wel later worden opgelegd, wanneer de nodige instrumenten beschikbaar zijn. Mechanismen om niet toegetreden landen discipline op te leggen, zijn bovendien te gecompliceerd.

Concluderend: ik steun de bescheiden opstelling van het Nederlandse voorzitterschap en zou nog de volgende kanttekeningen willen plaatsen. Zo dient er meer aandacht te worden besteed aan de handhavings- en fraudebestrijdingspolitiek dan aan allerlei ambitieuze doelstellingen binnen en buiten de Unie.

Verder, wanneer Van Mierlo en Pronk - zoals de nota suggereert - Europa in het Midden-Oosten en in de Derde Wereld wel eens aan het conflictoplossen willen zetten, zullen zij alleen het eurocynisme voeden, dat niet alleen door sommige van mijn partijgenoten wordt beleden, maar ook onder andere Nederlanders wijdverbreid is.

Alleen al daarom dienen de pro-Europese, maar nuchtere premier Kok en zijn departement van Algemene Zaken een veel krachtiger coördinatie uit te oefenen dan het tezeer betrokken ministerie van Buitenlandse Zaken aankan.