Kamerlid Oudkerk wil onderzoek naar wensen patiënt en familie; 'Euthanasie altijd melden'

AMSTERDAM, 28 NOV. “Wij hebben beiden al maanden het gevoel dat we langzaam doodgaan.” Een citaat uit een van de tientallen brieven die de Amsterdamse huisarts R. Oudkerk per maand krijgt sinds hij twee jaar geleden lid werd van de Tweede Kamer. “Zij heeft niks, hij is ziek”, zegt Oudkerk. “Toch heeft ook zij het gevoel dat ze langzaam sterft. De dokter wil hem niet helpen. Het is een verademing dat ze niet vraagt of ik dat wil doen.”

Niet bekend

Er moet dus een nieuw onderzoek komen.

“Ja, ik wil een onderzoek naar de overwegingen, de wensen en ervaringen van de eerstbetrokkenen: patiënten en nabestaanden. Er moet worden onderzocht waarom mensen om euthanasie vragen, waarom andere mensen die ondraaglijk en uitzichtloos lijden er níet om vragen en waarom mensen er wel om vragen en er later van afzien. Dat weten we gewoon niet. Ook niet van de nabestaanden. Ja, uit de tweede hand, de perceptie van de arts. In Nederland belijden we met de mond dat het om de patiënt gaat, maar wat we nu hebben geëvalueerd is de schil om de patiënten heen.”

Zou er door zo'n onderzoek een ander beeld ontstaan van euthanasie?

“Zeker. Bijvoorbeeld dat veel verzoeken om euthanasie geen verzoeken om euthanasie zijn, maar vragen van existentiële aard. 'Dokter, ik wil dood', betekent soms: 'Dokter ik wil verder leven, maar bent u er voor mij als het niet meer gaat?' Het gaat om het meest elementaire in iemands leven. Veel eskimo's die willen sterven gaan op een ijsschots zitten en laten zich afdrijven. Je verwijdert de dood uit de samenleving. In Nederland maken we de ijsschotsen, bouwen er van alles omheen en maken er een instituut van met de meldingsprocedure. Ik vind het goed dat die er is, maar we moeten er meer over weten. Negen van de tien verzoeken om euthanasie leiden niet tot euthanasie, als de dokter maar aangeeft dat hij er is voor de patiënt als het nodig is. Zo is de praktijk. Soms is praten al genoeg. Zo'n proces blijft een worsteling. Voor artsen, patiënten en familieleden. Gelukkig maar, want, om minister Sorgdrager eens te citeren, euthanasie mag nooit normaal worden.”

Volgens de evaluatie melden artsen nog lang niet alles. Wat is de oorzaak?

“Elk geval van euthanasie zou moeten worden gemeld. Voor mij is het allerbelangrijkste dat dokters verantwoording afleggen voor hun medisch handelen. De meldingsprocedure moet dus verbeteren. Artsen twijfelen over de procedure waarin ze verzeild raken. Dokters lopen vaak tegen de familie aan. Er speelt een sociaal kader mee. Soms wil de patiënt niet dat de familie weet dat er euthanasie wordt gepleegd. Het gebeurt ook dat de familie wel euthanasie wil en de patiënt niet. Iedereen kent het verhaal van een arts tegen wie de familie zei: 'Het loopt tegen de zomer, we moeten naar de camping. Als het toch moet gebeuren, kan het niet deze maand?' De rillingen lopen over je rug. Soms zegt de familie: 'Al die rompslomp met het raadplegen van een tweede arts, moet dat nou? Kan vader niet gewoon in vrede sterven?'. ”

Is het mogelijk om de vragen op het meldingsformulier te beantwoorden?

“Eén vraag luidt: Is er sprake van duurzaam en ondraaglijk lijden? Die vraag doet net alsof ondraaglijk lijden een toestandsbeeld is. Wat de arts en de patiënt de ene dag als ondraaglijk lijden ervaren, hoeft dat de volgende dag niet meer te zijn. Dus je zou moeten antwoorden: eh... ja, maar soms ook een paar dagen niet. Ondraaglijk lijden is een variabel toestandsbeeld, zoals de bloeddruk op en neer gaat. Wat vindt een arts zelf van ondraaglijk lijden? Iemand die in een concentratiekamp heeft gezeten spreekt anders over ondraaglijk lijden dan iemand die daar niet heeft gezeten. Sommige dokters zouden over iedere patiënt op wie euthanasie wordt toegepast een boek kunnen schrijven. Het heeft een voorgeschiedenis van maanden, soms jaren.”

Hoe kun je de meldingsprocedure verbeteren?

“Waar artsen nu vaak tegenaan lopen is de twee delen waarin het proces is opgesplitst. Het begint op het medische niveau, tussen de arts en de patiënt. Op het moment dat de euthanasie is gepleegd - juristen spreken van 'moord' - wordt het volledig juridisch, van de gemeentelijke lijkschouwer tot en met het college van procureurs-generaal of zelfs de minister van Justitie. Die twee delen van de keten spreken elkaars taal niet. Vorig jaar noemde een officier van justitie tijdens een nascholingscursus wel tien keer de term ilias bij een patiënt. Hij bedoelde ileus, een darmafsluiting. Hij wist niet waar het over ging. Kan hij het dan nog wel beoordelen?”

Juristen en artsen zouden meer van elkaars beroep moeten weten.

“Ik vind dat er gecertificeerde euthanasieconsulenten moeten komen, artsen die veel te maken hebben gehad met euthanasie, zowel theoretisch als praktisch. Die moeten een opleiding krijgen in alle juridische procedures. Zo'n consulent moet de tweede arts zijn die een dokter voor de handeling moet raadplegen. De KNMG is bezig met een project bij de Vrije Universiteit, waar huisartsen worden opgeleid tot consulent. Die kan artsen en juristen objectief adviseren en optreden als tweede dokter. Daarmee krijgt de dokter meer zekerheid over de zorgvuldigheid van de procedure. Dat geldt ook voor de patiënt, de familie èn de officier die de levensbeëindiging achteraf moet beoordelen. Vergis je niet: het is al veel als een dokter het één of twee keer per jaar doet. Reken maar dat een dokter onzeker is. Ik weet soms ook niet wat ik moet doen. De KNMG krijgt talloze vragen van artsen.”

De ministers Borst en Sorgdrager lijken voorstander van een commissie van artsen, juristen en ethici die een euthanasiezaak beoordelen voordat het dossier naar het openbaar ministerie gaat.

“Die gemengde commissie moet er komen voor de beoordeling van levensbeëindiging van wilsonbekwamen, zoals baby's. Ik zou het niet zo gek vinden als die commissie er ook voor euthanasie op wilsbekwamen komt. Die zou bij twijfel van de arts vooraf een oordeel kunnen geven. De garantie dat de arts vrijuit gaat kan zo'n commissie nooit geven, want dat is aan de officier en dat zal formeel ook zo blijven. Een officier zal nooit van tevoren zijn oordeel geven: ga je gang maar. Die strafrechtelijke toets achteraf blijft voorlopig. Nee, ik vind niet dat euthanasie nu uit het strafrecht moet worden gehaald. Als er voldoende objectieve consulenten zijn ben ik ervan overtuigd dat het vertrouwen bij artsen, en daardoor het aantal meldingen, zal toenemen. Iedereen moet melden, anders weten we nooit wat er in de praktijk echt gebeurt.”

    • Rob Schoof