Jiddisch herondekt

AMSTERDAM, 28 NOV. Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog kwamen haar familieleden als illegale immigranten naar Nederland. Haar ouders en grootouders woonden in Wlocawek aan de Weichsel, drie uur ten zuiden van Warschau. “In de familie werd Jiddisch gesproken', vertelt Mira Rafalowicz. “Mijn vader die rabbijn was, sprak zelfs geen woord Pools.”

Mevrouw Rafalowicz, een 55-jarige dramaturge, onder meer van de Toneelgroep Amsterdam, is de organisator en directeur van het Tweede internationale Jiddische festival dat deze week (24 november - 1 december) in Amsterdam wordt gehouden. In de jaren zestig heeft zij in Israel en later in de Verenigde Staten gestudeerd. Ze haalde een academische graad in Jiddisch, de Judeo-Germaanse taal die tot 1940 door tien miljoen joden werd gesproken. Nu is dat nog slechts het geval onder een groep chassidische joden in New York, onder sommige joden in Antwerpen en in Parijs alsook bij een kleine groep in Israel. In Nederland is het Jiddisch als omgangstaal niet meer gangbaar.

Vrijwel overal is deze taal uitgestorven, maar totaal verdwenen is ze niet, zegt Rafalowicz. Vijftien jaar geleden is de Jiddische cultuur herontdekt, om te beginnen in Amerika en vervolgens door enkelingen ook in Oost- en West-Europa. Vooral de zogeheten klezmer-muziek vormt een uiterst vitale en zeer populaire kant van de Jiddische cultuur. “Door deze herontdekking zijn we spiritueler geworden”, merkt de festivaldirecteur op. “Klezmer-muzikanten dragen vaak weer een keppeltje. Dat zegt heel veel. Zo vreselijk belangrijk is het niet, maar toch. Aan de gigantische, joodse assimilatie komt een eind, achter de vergrijzing en verstoffing van de Jiddische cultuur wordt een punt gezet. Niet door de mensen die her en der nog Jiddisch spreken: die zijn nergens in geïnteresseerd, maar door hun kleinkinderen. Je kunt het zien als een reactie op het grote verdriet, want joden hebben nu wel genoeg gehuild. Nu laten ze zien dat er ook een heel vreugdevolle Jiddische cultuur bestaat.”

Overal in de wereld bestaan er nu weer plukjes Jiddisch-taligen, die zingen, musiceren en schrijven. De Jiddische taal heeft weliswaar geen eigen grondgebied meer, omdat sjtetl', joodse plaatsen en plekken in Oost-Europa zijn verdwenen, maar alle Jiddisch-sprekenden vormen een internationaal Jiddisch-land.

Tijdens het festival is er een groepje van veertig mensen die zich in de eerste beginselen van de meer dan duizend jaar oude taal verdiepen. Ook aan de Universiteit van Amsterdam kan deze joods-duitse taal weer gestudeerd worden. Volgens de Jiddische docent, de Israeliër dr. Schlomo Berger, is er een klein aantal geïnteresseerde studenten. “Dit taalonderwijs valt binnen de vakgroep Hebreeuws van de letterenfaculteit”, zegt hij, omdat Jiddisch in Hebreeuws schrift en niet in romeinse letters wordt geschreven. Volgens Berger vertonen Jiddisch en oud-Nederlands grote stamverwantschap, omdat ze allebei uit een Beiers dialect uit de 10de en 11de eeuw zijn voortgekomen, aldus Berger. Wat Jiddisch en Nederlands, in tegenstelling tot het Duits, gemeenschappelijk hebben is de harde g, de manier waarop Nederlanders en Jiddisch-sprekenden het Duitse woordje ich of de plaatsnaam Scheveningen uitspreken. Het Zwitser-Duits zou uit dezelfde, Beierse taalomgeving voortkomen. Twee eeuwen geleden werd in Europa nog West- en Oost-Jiddisch gesproken. In Oost-Europa waar de joden in het algemeen het Hebreeuws niet machtig waren, werd overal Judeo-Duits gesproken en werd de thora ook in het Jiddisch vertaald. Zulks tot ergernis van de Duitse joden die geen Jiddisch wilden spreken en een grote aversie tegen de zogeheten Oostjoden hadden.

Mira Rafalowicz stelt dat Jiddisch tot voor kort nooit een toekomst heeft gehad. Ook historisch niet, want er was - volgens haar - geen taal, geen cultuur die zo gehaat, vernederd, verboden, doodgezwegen, veracht en gedemoniseerd was als deze. Maar nu is de taal dan eindelijk, door onder meer de Unesco, officieel erkend als een bedreigde minderheidstaal, als een “diersoort waarop niet mag worden geschoten”. Ze noemt de Jiddische cultuur zoiets als een “onkruidcultuur”. “Vaak genoeg leek het erop dat het definitief aan zijn eind was gekomen, en kijk, dan komt er toch weer een blaadje boven de grond. Er sterft wat af, er groeit weer iets aan. Het groeien van zulk soort onkruid ontroert me buitengewoon”, zegt ze begeistert.

    • Frits Groeneveld