In Liefde Bloeyende

Geëtste prentjes

Met pennekratsen op 't papier te teeknen

Als met een etsnaald op het harde koper:

Een veenplas op een landschap tegen avond

Of zielebeeldjes, met een fijner lijn

Dan 't scheren van een strohalmpje over 't water

Of trilling van een meeuwevleugel; - rhythmisch

Bewegen van de pen en 't op en neer

Getik van 't rijm, als 't tikken van 'n klok

Die de seconden aan elkander rijmt; -

Of ook gelijk het heen- en weergaan van

Een waaier in een nauwbewogen hand -

Daar achter 'n vrouwsgelaat in donker haar. -

Als 'k etsen kon zou 'k van dat vrouwsgelaat

En van die waaier in de slanke hand

Van rode wijn en van wat zomerwarmte

Met schaduw van een etsnaald schetsjes maken

Op koper - zo, mijn vriend, wie etsen kan

Beproev' te vatten wat ik vatten zou: -

Maar er is ijver nodig om tot ets

Te maken wat een dichter heeft gedroomd

In luiheid, onder warmte en rode wijn.

Albert Verwey (1865-1937)

't Is een boeiend onderwerp, de verhouding tussen de kunsten. Hoe verschillend zijn muziek, schilderkunst en literatuur, en hoe bijzonder is het dat we ze toch alledrie als kunst herkennen. Een symfonie bestaat uit abstracte klanken, heeft in een concertzaal tijd nodig en vervliegt. Een schilderij bestaat uit chemische klodders, heeft in een museumzaal geen tijd nodig en is blijvend. Een gedicht is wéér anders. Het bezit de abstractie van de muziek en de chemie van de typografische constructie. Het vervliegt, maar niet als bij de muziek. Het is blijvend, maar anders dan bij de schilderkunst. Je zou over de raakpunten en niet-raakpunten en nét-niet-raakpunten tussen de drie onderscheidene kunsten urenlang kunnen doorwauwelen. Ons interesseert hier de relatie tussen poëzie en beeldende kunst.

Er bestaan talloze gedichten die schilderijen (en beeldhouwwerken en noem maar op) tot onderwerp hebben. Wat kan poëzie uitspoken met haar zusterkunst? 't Meest voorkomende - en tegelijk minst interessante - genre is dat waarin een dichter een schilderij min of meer letterlijk beschrijft. Hij vertelt dat de lucht bij Velazquez blauw is, het paard kreupel en de jonge prins melancholiek. Praatje bij een plaatje. Interessanter wordt het als de dichter begint te interpreteren. Hij kan bij voorbeeld verzinnen wat de prins kreupel en het paard melancholiek heeft gemaakt. Vervolgens zijn er de gedichten waarin de dichter 'in gesprek' raakt met het schilderij en er aspecten van zichzelf in ontdekt. Grappig is ook het genre waarin de poëzie met haar eigen materiaal het andere medium nabootst. Wanneer een dichter, bij voorbeeld, hakkelend schrijft over een kubistisch schilderij. Of zijn gedicht woest laat golven bij een zeegezicht met storm. Beeldgedichten heten dit soort gedichten. Er zijn hele verzamelingen van uitgegeven, in Nederland onder meer door T. van Deel en Anton Korteweg.

Een dichter die nogal wat van die beeldgedichten op zijn naam heeft staan is Albert Verwey. Zijn Geëtste prentjes is een bijzonder beeldgedicht, want poëzie die niet over de inhoud maar over de techniek van de beeldende kunst gaat is nogal schaars. Verwey dicht over hoe een prent tot stand komt. Hij vergelijkt de beweging van de pen over het papier en 't getik van 't rijm met het krassen van de etsnaald op het harde koper - er ontstaat op die manier een gedicht dat voor de bestudering van de relatie tussen de kunsten interessante stof genoeg biedt. Ik moest alleen onmiddellijk denken aan Aqua-forti, ooit het meest bekende gedicht van Carel Vosmaer (1826-1888) -

Weet gij wat etsen is? Het is flane

ren

Op 't koper; 't is in 't zomersche

meruur

Met malse vedelsnaren fantaseren.

't Zijn hartsgeheimtjes, die ons de

natuur

Vertrouwt, bij 't dwalen op de hei

bij 't staren

In zee, naar 't wolkje in het zwerk

of waar

In 't biezig meer wat eendjes spele

varen;

't Is duivendons en klauw van d'

adelaar.

Homerus in een nootje, tien gebo

den

Op 't vlak eens stuivertjes; een

wens, een zucht

Gevat in fijn geciseleerde oden.

Een ras gegrepen beeldj' in vogel

vlucht.

't Is op 't gevoelig goudkleur koper

malen

Met d' angel ener wesp en 't fulpen

stof

Der vlinderwiek, gegloeid van zon

nestralen;

De punt der naald, die juist ter sne

de trof

Wat in des kunstnaars rijke dich

terziel

Uit fantasie en leven samenviel.

De overeenkomsten tussen beide gedichten zijn griezelig. Beide dichters spreken iemand aan. Weet gij wat etsen is? Zo, mijn vriend... Uitdrukkingen als ritmisch bewegen, meeuwevleugel en zielebeeldjes staan tegenover flaneren, duivendons en hartsgeheimtjes. De zomerwarmte correspondeert met de gloed van zonnestralen. De drie slotregels van de beide gedichten gaan bij elke herlezing méér op elkaar lijken. Wat is hier aan de hand? Wie doet hier wie na?

Verwey was een Tachtiger, Vosmaer een nu eens gewaardeerde, dan weer verguisde peetvader van de Tachtigers. Verwey en Vosmaer kenden elkaars werk. Het gedicht van Verwey is gedateerd 1884 en komt voor in een bundel uit 1885. Het gedicht van Vosmaer heb ik uit zijn Gedichten van 1887. 't Kan eerder in een tijdschrift zijn gepubliceerd. 't Blijft er om spannen. Twee generaties, twee werelden, één tijdperk - wie is de dief?

We begonnen met dichters die beeldende kunstenaars nadoen. Dat is boeiend. We eindigen met een dichter die een dichter nadoet. Dat is plagiaat.

    • Gerrit Komrij