Het OM

Cliteur is in zijn reactie (NRC HANDELSBLAD, 19 november) veel te stellig en te snel. Dat is leuk, maar zonder gronden gaat verf snel bladderen.

Ten eerste schreef hij zelf op 5 november dat de discussie over de onderschikking van het openbaar ministerie (OM) “primair een discussie tussen de minister en de volksvertegenwoordiging” is. Als hij het publieke debat niet had willen afkappen, had hij een andere formulering moeten kiezen, bijvoorbeeld dat daar uiteindelijk beslissingen kunnen worden genomen (of door de rechter). Maar daarmee kon hij de PG's niet tot zwijgen brengen.

Ten tweede valt het met dat centralistische OM uit 1827 wel mee. Ik vermoed dat Cliteur het oog op de Wet op de Rechterlijke Organisatie heeft. Pas op: artikel 4 draagt de vervolging niet aan de minister, maar aan het OM op, hoewel artikel 5 de minister het recht op algemene aanwijzingen geeft. 'Algemeen' is echter niet tot drie cijfers achter de komma, lees: tot en met de inhoud van het requisitoir. Juist daarom ging het bij de zaak-Drenth, de officier van justitie die de rechter vroeg te oordelen of een arts aan zijn eigen veroordeling moest meewerken.

Ten derde: als leden van het OM de algemene aanwijzingen niet opvolgen, lijkt de weg naar de ambtenarenrechter een gaanbare. Daarvoor is geen totale controle van de minister nodig. Het lijkt mij terecht dat ambtenaren met verantwoordelijkheden daarover verantwoording (zullen moeten gaan) afleggen. Een tendens in die richting bespeur ik niet.

Ten slotte: als de minister geen algemene aanwijzingen heeft gegeven en dus niet voldoende van de wettelijke mogelijkheden gebruik heeft gemaakt, is het geen zaak om die wettelijke mogelijkheden te verruimen maar om ze te gaan gebruiken.

Als de bereidheid daartoe ontbreekt, is het verruimen van die mogelijkheden een weinig doeltreffend, zeer symbolisch gebaar. Leuk voor de pers, maar geen grond om een andere praktijk te verwachten. Wie geen twee meter hoog kan of wil springen, moet niet klagen dat de lat niet op drie meter kan worden gelegd.

    • N.F. van Manen
    • Rechtssocioloog aan de Universiteit van Amsterdam