Frankrijk ziet tolerantie als puur winstbejag

PARIJS, 28 NOV.De toerist uit Frankrijk merkt het direct: de ambulante handel is actief in Nederland. Vrijwel iedere keer wanneer ik met mijn auto met Frans nummerbord naar Nederland rijd word ik ruim vòòr Breda een of twee keer hinderlijk langzaam ingehaald of bijna klemgereden door drugsrunners in een oude maar snelle auto. 'Vandaag niets nodig' is een antwoord waar zij nauwelijks genoegen mee nemen.

Als dat nog steeds de entree is die een gewone Fransman in Nederland maakt, wie verbaast er zich dan over dat burgers en autoriteiten in Noord-Frankrijk alle drugsgebruik in hun eigen omgeving direct associëren met dat zelfde Nederland? Zowel de feiten als de atmosfeer van openheid rond drugs in Nederland maken dat het causaal verband tussen gebruik en ellende en het beleid van Den Haag vlug is gelegd.

Veel Fransen zijn over drugs lang niet zo strikt en principieel als de regering in Parijs graag voorgeeft. Volgens een recent onderzoek heeft 40 procent van de jongens van achttien een of meer keren drugs gebruikt. Het drugsbeleid in Frankrijk kent allerlei vormen van door de vingers zien, aanhouden maar niet vervolgen, maar daar worden geen nota's over geschreven en geen debatten over gehouden. De praktijk is de praktijk, en de wet is de wet.

Het is wat makkelijk om dat toe te schrijven aan typisch Franse hypocrisie. Het officieel gedogen in Nederland van iets wat je in wetten en verdragen verbiedt is in veel 'Europese' ogen niets anders dan geformaliseerde hypocrisie. Het is niet helemaal onredelijk de drugs-heksenjacht van president Chirac toe te schrijven aan binnenlands-politieke motieven: het komt een regering met weinig eclatante successen goed uit een van haar problemen om te zetten in flinkheid door een kleine, irritante buurnatie er voor aansprakelijk te stellen. Dat verklaart nog niet de algemeenheid van de afkeer van de Nederlandse tolerantie, die in Frankrijk vaak wordt gezien als een gevolg van liefdeloos winstbejag.

Frankrijk heeft een fundamenteel andere cultuur, waarin het in Nederland geldende rationeel-traditionele onderscheid tussen soft- en harddrugs niet zo duidelijk ervaren wordt. Een cultuur waarin drugsgebruik wordt gezien als een trieste, eenzame vorm van vluchtgedrag, terwijl samen eten en wijn drinken hoort bij de kern van een welbesteed leven. Hasj, voor velen in Nederland een soort pretsigaret, heeft in blank Frankrijk het extra stigma van het ongrijpbare Oriëntaals gevaar. Toen het aanvallen van Nederland daarop tè duidelijk strijdig was met het feit dat het overgrote deel van de import in Frankrijk uit Marokko kwam, verlegde Parijs de aanval op de exportrol van Nederland op het gebied van heroïne. Rotterdam moet net zo'n scanner hebben als de haven van Le Havre, hamert Parijs, ook al komt de Oosterse heroïne via Turkije en Duitsland, en dus nauwelijks via de zee.

Hollanders verdedigen zich graag met de torenhoge omzetcijfers van alcohol die Fransen drinken om van het vele roken af te komen en niet te vergeten het recordgebruik van psychisch werkzame pillen. Die vergelijking wordt hier gezien als een gebrek aan goede manieren. Dat is niet alleen een discussietruc, dat wordt echt zo gevoeld. Zoals de losjes gereguleerde vrije teugel die het Nederlandse drugsbeleid kenmerkt geen vertrouwen wekt bij een volk dat bewondering heeft voor leiding, leiders, regels, gewoontes en wetten. Je er individueel niet aan houden is heel wat anders, dat is menselijke vrijheid, maar zodra je dat institutionaliseert is het vrije eraf.

Frankrijk heeft een groter percentage harddrugsgebruikers, drugs-gerelateerde aidsslachtoffers en drugsdoden dan Nederland. Methadon- en Subutex-projecten (ter vervanging van heroïne onder medisch toezicht) komen langzamerhand van de grond, ook in gevangenissen waar het drugsgebruik veel algemener is dan tot voor kort werd toegegeven. Maar de toename in het gebruik van ecstasy is reëel. En dat spul komt voor een groot deel uit Nederland. Dus zo makkelijk komen Den Haag en Parijs niet van elkaar af.