Eeuwig geloof in het ongrijpbare

De komst van de euro en de opkomst van digitaal geld zorgen voor twee monetaire revoluties die vrijwel samenvallen. De bijbehorende onzekerheden knagen aan het fundament van het moderne geld: vertrouwen.

GOD ZIJ MET ONS staat gestanst in de rand van elke gulden. In God we trust is geschreven op de Amerikaanse dollar. Geloof en geld hebben veel met elkaar van doen en niet ten onrechte. Geld bestaat bij de gratie van het vertrouwen dat het de waarde heeft die het beweert te hebben. Geld is geld, omdat iedereen het als geld accepteert.

Zo groot als op dit moment is het geloof in geld in de Westerse wereld zelden of nooit geweest. En dat terwijl geld ongrijpbaarder is dan ooit. Een eenheid geld is niet langer een gewicht aan zilver of goud in een andere gedaante. Geld is zelfs indirect niet volledig meer verbonden met een tegenwicht aan vermogen in een diepe kluis. En ook de fysieke verschijning ondergaat een revolutionaire wijziging. Binnenkort bestaat het meeste geld alleen nog maar in de vorm van digitale enen en nullen op de bankrekening, de chipknip of wellicht de harde schijf van de thuiscomputer.

Niet dat de cashless society op het punt van doorbreken staat: het papierloze kantoor dat begin jaren tachtig nog werd voorspeld, is er ook niet gekomen. De menselijke voorliefde voor tastbare zaken is hardnekkig. Maar ook de vertrouwde munten en biljetten die blijven circuleren, zijn binnenkort niet meer wat ze geweest zijn. Over een week of drie is het ontwerp bekend van de bankbiljetten voor de euro, de Europese munt die de gulden met ingang van het jaar 2002 zal vervangen. Dat wordt wennen: “Een cappuccino voor meneer. Dat is dan één euro vijftien.”

Ondanks de verandering in aard en gedaante is het vertrouwen in geld rotsvast. De gulden is een van de hardste, meest betrouwbare munten ter wereld. De ontwaarding van geld, de inflatie, staat in Europa, en de rest van de Westerse wereld inmiddels op het laagste peil sinds begin jaren zestig. We hebben, kortom, in het geld van vandaag iets te verliezen.

De tijden van de ruilhandel liggen heel ver achter ons: er gaan drie vaten ruwe olie in een spijkerbroek en de aanschaf van een Volkwagen Golf vergt medeneming van zo'n 113 slachtvarkens - als de dealer ze op dat moment kan gebruiken. De inefficiency van ruilhandel is de motor achter het ontstaan van geld. Het is er gekomen als een beter hanteerbaar en universeler ruilmiddel dan een koe, een kruik wijn of een dag arbeid.

De eerste generatie munten was van koper, zilver of goud. Munten waren hun gewicht waard. Vervalsen was moeilijk: alleen door ze te maken van een ander metaal (valsemunten), of door er stiekem een randje rondomheen weg te halen en zo het gewicht te verminderen (versnijden). Vandaar de traditionele beet in het muntstuk ter beproeving van de echtheid en vandaar ook het ribbeltje of de tekst aan de zijkant van een munt.

Pas eind achttiende, begin vorige eeuw braken de munten door die, voorzien van een echtheidsteken van overheidswege, meer waard waren dan het materiaal waarvan ze waren gemaakt. En er kwamen bankbiljetten, ontstaan uit contracten die aan de toonder de uitbetaling van een hoeveelheid geld garandeerden, zoals postwissels of door smeden uitgegeven bewijzen van de bewaring van een hoeveelheid goud.

Welke vorm het ook had, tot een kwart eeuw geleden was er altijd een relatie tussen de waarde van het geld en die van edelmetalen. Nederland had tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw een 'zilveren standaard' en daarna een 'gouden standaard'. Pas in de crisisjaren dertig zouden de meeste industrielanden de gouden standaard in paniek loslaten om hun economie door devaluaties concurrerender te maken. Maar na de oorlog keerde het goud terug. Tussen 1944 en 1972 hadden 's werelds belangrijkste munten een vaste verhouding ten opzichte van de Amerikaanse dollar, die op zijn beurt omwisselbaar was in goud.

Dat stelsel bezweek, en de oorzaak was in feite dezelfde als waarom geld deze eeuw in sommige landen al vaker in grote problemen was gekomen. Het geloof in geld hing eeuwenlang simpelweg af van de echtheid van datgene dat als geld werd gepresenteerd. De opkomst van het fiduciaire geld, munten en bankbiljetten die niet langer zelf waarde hadden maar een waarde vertegenwoordigden, verschoof de vertrouwenskwestie voor een deel naar de overheid die het geld uitgaf. De waarde van geld stond of viel met het geloof in de garantie dat achter elke geldeenheid dezelfde waarde in zilver of goud ergens in reserve werd gehouden. Maar wie garandeerde dat de overheid in tijden van nood niet gewoon de drukpers van bankbiljetten zou hanteren om er de eigen uitgaven mee te financieren? Niemand.

In macro-economische zin hangt de prijsvorming, en daarmee de waarde van geld waarin de prijzen worden uitgedrukt, af van de verhouding tussen de hoeveelheid geld in een economie en de hoeveelheid goederen die er tegenover staat. Ook de snelheid waarmee geld door een economie circuleert, de omloopsnelheid, is van belang. De ontwaarding van geld, inflatie, kan ontstaan door een wanverhouding tussen de hoeveelheid geld en de hoeveelheid goederen: in een belegerde stad, waar het voedsel langzaam opraakt, kunnen de kosten van het levensonderhoud fors oplopen. Oorlogen en daarmee optredende schaarste hebben zo door de eeuwen heen de waarde van geld tijdelijk ondermijnd.

Maar telkens kwamen daarna de prijzen weer op hun pootjes terecht. Dat is te zien aan het verloop van de rente op langlopende leningen in Nederland, die de onderliggende inflatie weerspiegelt. Na de Tachtigjarige Oorlog heeft ons land eeuwenlang prijsstabiliteit gekend, slechts onderbroken door korte periodes van schaarste, zo hebben onderzoekers van de Robeco Groep berekend. Rond 1850 betaalde iemand voor zijn levensonderhoud ruwweg evenveel als de betovergrootvader van zijn betovergrootvader.

Sinds de opkomst van het nieuwe, fiduciaire geld kan de balans tussen geldhoeveelheid en goederenhoeveelheid op een andere manier worden verstoord: te veel geld tegenover te weinig goederen. Als de overheid de drukpers voor bankbiljetten gebruikt om er haar uitgaven mee te financieren zonder dat daar extra reserves tegenover staan, loopt de inflatie al snel uit de hand. De combinatie van toenemende goederenschaarste en een sneldraaiende bankbiljettenpers leidde in het straatarme Duitsland van begin jaren twintig tot hyperinflatie en teisterde Latijns Amerika in de jaren zeventig en tachtig. En in de jaren negentig greep inflatie om zich heen in Klein-Joegoslavië, waar de regering-Milosevic aan de geldpers stond en een internationale boycot schaarste van goederen veroorzaakte. Dergelijk monetair beleid mag worden beschouwd als een voortzetting van de belastingheffing met andere middelen: de schulden van de staat verschrompelen even hard als het spaargeld van de burgers. Ook het naoorlogse systeem van koppeling aan goud via de dollar ging begin jaren zeventig aan de geldpers ten onder. Ditmaal was het de Amerikaanse, die werd ingezet om de Vietnam-oorlog met vers gedrukte dollars te financieren.

Sinds in 1972 de laatste link met het goud knapte, heeft de waarde van geld minder dan ooit te maken met dat van een onderliggend goed. De waarde weerspiegelt nu de geloofwaardigheid en financiële reserves van de overheid die het geld in circulatie brengt en het vertrouwen dat de bezitters van geld hebben in het economische en monetaire beleid. Dat ging in de jaren zeventig nog mis, toen macro-economische experimenten en rijzende grondstoffenprijzen de waarde van geld sterk verminderden.

De ontwaarding van geld, vroeger een uitzonderlijk verschijnsel, is deze eeuw structureel geworden. Tussen 1900 en nu stegen de prijzen met een factor 23. Zonder de jaren zeventig zou dat een factor 12 zijn geweest.

De laatste vijftien jaar is het vertrouwen in geld langzaam teruggekeerd. Overheden kunnen zich niet langer zonder meer verlaten op de geldpers en tomen hun kredietbehoefte in door hun tekorten terug te dringen. In de meeste Westerse landen is de centrale bank (zoals De Nederlandsche Bank), die het monetaire beleid voert, onafhankelijk gemaakt van de politiek.

Daarmee verschuift de vertrouwenskwestie rondom het geld van de overheid door naar de centrale bankiers. Zij spelen nationaal en internationaal een steeds grotere rol, en worden gaandeweg op gelijke voet gesteld met ministers van Financiën. Maar ze zijn niet onfeilbaar.

Als de lonen veel sterker stijgen dan de produktiviteit van werknemers, dan zorgt de verschuiving in de verhouding geld-goederen al snel voor inflatiedruk. Centrale bankiers hebben niets te vertellen over de loonpolitiek. Hooguit kunnen ze vervolgens de groei van de geldhoeveelheid afremmen, hetzij door de geldschepping door de commerciële banken te bemoeilijken, hetzij door het lenen van geld met een hogere rente minder aantrekkelijk te maken.

Het voeren van monetair beleid hangt bovendien sterk af van de kwaliteit van de informatie die een centrale bank heeft over de economie en het geldverkeer. Het bijhouden van hoeveelheid geld in omloop en de omloopsnelheid ervan wordt een stuk moeilijker naarmate geld meer gedaanten aan kan nemen. Chartaal geld (munten en biljetten) maakt een steeds kleiner deel uit van de geldhoeveelheid. Giraal geld valt bij te houden bij het bankwezen waar de centrale bank naar believen naar binnen mag kijken. Maar met de opkomst van digitaal betalen, door de chipknip en transacties via het Internet zal het zicht op bijvoorbeeld de omloopsnelheid van het geld, die een belangrijke inflatiefactor kan zijn, een stuk troebeler worden, zo voorzag een medewerker van De Nederlandsche Bank onlangs in het blad Economisch Statistische Berichten.

Een beetje centrale bank kent de economie waarin zij opereert als haar broekzak. Maar er zijn grenzen aan het vermogen om signalen van mogelijke inflatie op te pikken en de reactie van de economie op interne en externe prijsprikkels te voorspellen. En het wordt allemaal nog veel moeilijker. Over twee jaar begint de Economische en Monetaire Unie, waarin niet alleen de munten van een meerderheid van de lidstaten van de Europese Unie opgaan in één euro, maar ook het monetaire beleid wordt gecentraliseerd bij de nog op te richten Europese Centrale Bank in Frankfurt. Hoe betrouwbaar wordt het beleid van die bank?

Er wordt op dit moment hard gewerkt aan het harmoniseren van de statistische informatie over de economie, die in verschillende Europese landen sterk in aard (en in kwaliteit) verschilt. De tradities in de loonpolitiek zijn overal anders, evenals de machtsverhoudingen tussen werkgevers en werknemers. Naar het gedrag van de geldhoeveelheid op Europese schaal is het nog grotendeels gissen. En de begrotingspolitiek kent in Europa uiteenlopende tradities.

Zo voltrekken zich in de wereld van het geld twee revoluties tegelijk: de komst van de euro en de digitalisering van het geld vallen in de komende vijf jaar in Europa grotendeels samen. Geld is daarna definitief niet meer wat het geweest is. “Ik heb nog wel een paar gulden in mijn portemonnee” wordt “ik heb nog wel wat euro's op mijn chipknip”.

Hoe veilig wordt het digitale geld? Hoe betrouwbaar wordt de euro?

Deze onzekerheden vergen veel van het publieke vertrouwen in het geld dat de huidige en volgende generaties zullen hanteren. Want God zij met ons, inderdaad - als het misgaat.

    • Maarten Schinkel