Den Haag en Parijs maken zich op voor finale in drugsconflict

BRUSSEL, 28 NOV.Zodra het binnen de Europese Unie over drugs gaat wordt er naar twee landen gekeken: Nederland en Frankrijk. Na een publieke botsing gisteren tussen de Nederlandse en de Franse permanente vertegenwoordiger bij de EU is dat nog sterker het geval.

Andere landen hebben even goed standpunten over drugsbeleid, die dikwijls veraf staan van het Nederlandse gedoogbeleid. In Zweedse ogen kan de bestrijding van drugsgebruik niet radicaal genoeg zijn. Groot-Brittannië wenst dat er spoedig een Europees gemeenschappelijk drugsbeleid komt. De Europese drugsaanpak is door het Ierse voorzitterschap van de EU tot prioriteit gemaakt, nadat Ierland eerder dit jaar werd opgeschrikt door de moord op een journaliste die onderzoek deed naar drugscriminaliteit.

Maar diplomaten verwachten dat de discussie over het drugsbeleid tijdens de bijeenkomst van Europese ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken vandaag en morgen vooral tussen Nederland en Frankrijk zal gaan. Beide landen worden enigszins als buitenbeentjes gezien. Nederland wegens de overgevoeligheid voor kritiek op de coffeeshops. Frankrijk wegens het verbale geweld van president Chirac tegen het Nederlandse gedoogbeleid.

Diplomaten in Brussel vonden het dan ook bijzonder dat na uitvoerig overleg tussen ambtenaren van ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken van de EU-lidstaten een door Frankrijk ingediende ontwerptekst voor een gemeenschappelijk drugsbeleid zover was bijgeschaafd, dat de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten zich erover konden buigen. Het was de zevende herschreven versie van de oorspronkelijke Franse tekst die op 6 november naar de ambassadeurs werd gestuurd. Er stonden nog voorbehouden op ondergeschikte punten in vermeld van Denemarken, Zweden, Oostenrijk en Duitsland, maar niet van Nederland. De ambassadeurs gingen in principe met de tekst akkoord.

De Nederlandse ambtenaren oordeelden dat de tekst zoveel mogelijkheden voor uitleg bood, dat deze nooit gebruikt zou kunnen worden om van Nederland te verlangen het gedoogbeleid te wijzigen. De Fransen waren tevreden dat er een gezamenlijk document was. De Nederlandse diplomatie constateerde opgelucht dat het risico van tafel was dat het Nederlandse voorzitterschap van de EU de eerste zes maanden van volgend jaar geplaagd zou worden door voortgaande strubbelingen over drugs met Frankrijk.

Toch was er, achteraf gezien, een vuiltje aan de lucht. Tijdens een gesprek tussen vertegenwoordigers van ministeries van Volksgezondheid die zijn verbonden aan de permanente vertegenwoordigingen van de EU-lidstaten in Brussel liet de Nederlandse aanwezige zich ontvallen zeer ongelukkig te zijn met de ontwerp-tekst voor een gemeenschappelijk Europees drugsbeleid. Die Volksgezondheid-ambtenaar had niet aan de onderhandelingen meegedaan. In Nederland is drugsbeleid een zaak van Volksgezondheid, Justitie en Binnenlandse Zaken. In veel andere Europese landen is het vooral een zaak van Binnenlandse Zaken en Justitie.

Bij de Franse permanente vertegenwoordiging in Brussel kwamen de opmerkingen van de Nederlandse ambtenaar diplomaten ter ore die zich daar met de justitiële drugsaanpak bezighouden. Op het Franse ministerie van Volksgezondheid bestaat veel meer sympathie voor het Nederlandse beleid dan bij Justitie en Binnenlandse Zaken. Onder Franse diplomaten leidde het nieuws van de ongeruste Nederlandse Volksgezondheid-vertegenwoordiger even tot de vraag of heel Den Haag het wel eens was met de tekst voor het gemeenschappelijk Europese beleid. Maar aangenomen werd dat in Nederland de zaak gecoördineerd was. Groot was dan ook de verbazing toen onverwachts in Nederland grote herrie over de ontwerp-tekst uitbrak en Nederland alsnog ingrijpende veranderingen in het stuk verlangde.

Nederland wilde opeens niet meer praten over een “gemeenschappelijk optreden betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen en praktijken van de lidstaten van de Europese Unie ter bestrijding van drugsverslaving en ter voorkoming en bestrijding van de illegale drugshandel”. Dat deel over de drugsverslaving moest uit de tekst, anders zou iemand kunnen denken dat de Nederlandse coffeeshops in het geding waren.

Niet alleen Franse diplomaten verbaasden zich. Ambtenaren van het ministerie van Justitie in Den Haag waren er dagen later nog niet achter tengevolge van welke coördinatiefouten de betrokken Nederlandse ministeries niet op één lijn zaten. Diplomaten van andere lidstaten zochten naar de reden van de Nederlandse opwinding en ontdekten de bezwaren van het ministerie van Volksgezondheid. Een Duitse diplomaat zei volkomen verrast te zijn. Alleen een Britse diplomaat vertelde achteraf dat hij vanaf het ogenblik dat de ambassadeurs de ontwerp-tekst hadden bekeken het gevoel had dat er nog van alles mis kon gaan.

Alle EU-lidstaten willen graag dat er zo snel mogelijk een gemeenschappelijk drugsbeleid wordt overeengekomen. Maar voor zo'n gemeenschappelijk optreden is unanimiteit vereist. Nederland riskeert in de positie te komen een gemeenschappelijk Europees optreden onmogelijk te maken door de ontwerp-tekst af te wijzen. De andere lidstaten, Frankrijk voorop, weten dat Nederland zo'n positie aan de vooravond van het Nederlandse voorzitterschap van de EU niet wenst. Bovendien wordt aangenomen dat Nederland het ook niet prettig vindt als het drugsbeleid volgend jaar juni een belangrijk onderdeel wordt van de wereldwijde berichtgeving over de top van staats- en regeringsleiders van de EU in Amsterdam. Met cameraploegen die dan ongetwijfeld uitzwermen over de Amsterdamse coffeeshops dreigt enige publicitaire schade.

Frankrijk besloot daarom begin deze week om de druk op Nederland nog wat op te voeren en gisteren tijdens de wekelijkse bijeenkomst van de EU-ambassadeurs in Brussel mee te delen dat het het laatste Nederlandse verzoek om tekstwijziging afwijst. Stemt minister Sorgdrager (Justitie) tijdens de bijeenkomst met haar Europese collega's vandaag en morgen niet in met de ontwerptekst, dan wil Frankrijk volgende maand de zaak op de agenda van de Europese ministers van Buitenlandse Zaken brengen en vervolgens op die van de top van Europese staats- en regeringsleiders in Dublin. Dan mag Kok met Chirac over een gemeenschappelijk drugsbeleid praten. De ervaring heeft geleerd dat de Franse president in zo'n geval luid tekeer kan gaan en dat de andere aanwezigen zwijgend de Nederlands-Franse confrontatie aanhoren.

    • Ben van der Velden