De knipoog van Jan des Bouvrie; Bruikbaarheid voorop

De persoon Jan des Bouvrie lijkt overbekend, maar wat het werk van deze ontwerper precies inhoudt, valt nu te zien in de designgalerie van de Rotterdamse Kunsthal. Over de kracht van de zwakte en de afwezigheid van extremen.

'Jan des Bouvrie, ontwerper.' Kunsthal, Rotterdam. Tot en met 26 januari 1997. Di tm/za 10-17.00u, zo 11-17.00u. Entree ƒ 10.

Hij is alomtegenwoordig. De televisie toont hem wekelijks aan het werk in het programma Woonmagazine. De roddelpers verhaalt in woord en beeld van de partijtjes, openingen en dineetjes waar hij zijn opwachting maakt ('Daar zijn we weer!'). En de folder van de stoffeerder maakt ons attent op een collectie tapijt en gordijnen van zijn hand ('Haal nu een 'Des Bouvrie' in huis'). Voor een ontwerper is dat een zeldzame status en die heeft dan ook zijn keerzijde. Talrijk zijn de neerbuigende opmerkingen, de suggesties van plagiaat ('Jan des Copies') en de beschuldigingen dat hij zich voor alles en door iedereen laat inhuren zolang het maar betaalt. De man is zo zichtbaar dat men aan het werk zelf niet toekomt.

Wie de blik wat wijder richt, ziet dat elke beroemde ontwerper allereerst een meester is in het bespelen van de publiciteit. Voor de kwaliteiten van het werk aan bod komen, kennen we de kwaliteiten van de man, van zijn ideeën evengoed als van zijn kleding. Zijn naam is een merk, en zijn verschijning zijn signatuur. Dat gold voor Raymond Loewy (snorretje), dat geldt voor Philippe Starck (baret), en dat geldt voor Jan des Bouvrie (vlinderdas). Ontwerpen is één talent, het ontwerp vervolgens aan de man brengen is een heel ander talent. Wie beide heeft, bezit de sleutel tot succes.

Wat het werk van Des Bouvrie precies inhoudt, valt nu te zien in de designgalerie van de Rotterdamse Kunsthal. Hoewel de twee lange, smalle gangen als expositieruimten weinig flexibel zijn, is deze keer een vindingrijke oplossing bedacht. Boven is een keuze uit de meubelontwerpen opgesteld, beneden is een reeks 'kamers' gecreëerd waarin toepassingen worden getoond. Zo werd het een tentoonstelling over ontwerpen die zelf nadrukkelijk ontworpen is.

Enige ironie is hem niet vreemd. De man van wie gezegd wordt dat hij Nederland wit heeft gemaakt, liet alle stoelen en banken wit bekleden. Op een glazen verhoging staan ze smetteloos te wezen, gereed voor inspectie in een strenge rij, terwijl aan de tegenoverliggende wand grote foto's hangen van weer andere ontwerpen. Terwille van het contrast zijn die donker, voorzien van zwarte bies en zilveren lijst, als staatsieportretten. Het geheel heeft iets aristocratisch - de lakeien tegenover de familiestukken -, al wordt die gewichtigheid in toom gehouden door zelfspot. Het is alsof Des Bouvrie zich, conform zijn imago, presenteert als de 'koning' van het Nederlands ontwerp, maar met een knipoog die niemand kan ontgaan.

In al zijn beknoptheid laat dit overzicht de ontwikkeling in het werk duidelijk zien. Wat eind jaren zestig begon in het voetspoor van het modernisme bekende zich in de jaren tachtig tot het postmodernisme, maar altijd met mate. De kracht van Des Bouvrie is precies dat wat in de ogen van critici zijn zwakte is: de afwezigheid van extremen. Hij adapteert in eenvoudige vormen wat elders als nieuw en nooit-vertoond wordt gebracht. Des Bouvrie is de man van het midden bij wie bruikbaarheid voorop staat. Hij is geen uitvinder, maar een toepasser.

Dertig jaar geleden ging de discussie in de ontwerpwereld over de tegenstelling vormgever-stylist. Een vormgever was iemand die vanuit een probleemstelling tot een oplossing kwam; een stylist was iemand die de 'tekens' van een stijl aan een ontwerp toevoegde. Het zal duidelijk zijn: in die controverse droegen de vormgevers de witte hoeden en de stylisten de zwarte.

Des Bouvrie voert 'stylist' als een geuzennaam. Hij is, opmerkelijk voor iemand die doorlopend in de publiciteit is, bescheiden in zijn claims. Voor hem geen hang naar het hogere, geen ambitie voor het kunstenaarschap zoals anderen die koesteren; integendeel, hij benadrukt zijn status van middenstander, van de man die iets maakt voor een publiek en die luistert naar zijn klant.

Hij heeft gelijk. Wie een stoel verlangt, zal daar doorgaans op willen zitten; wie een tafel koopt, zal die willen gebruiken. De vorm van tafel en stoel zijn in de loop der tijden niet wezenlijk veranderd, al is er in de jaren twintig nog wel een debat geweest over het aantal poten dat onontbeerlijk is (één voor de tafel, twee voor de stoel); de arbeid van de ontwerper beperkt zich sindsdien tot maat, materiaal en detaillering. De oplossing is gegeven; wat rest is de uitvoering, de stylering.

Het oeuvre blijkt verrassend consistent te zijn. Wie gedacht mocht hebben dat er in zijn werk sprake is van een breuk tussen de modernistische en postmodernistische vormentaal, wordt door dit overzicht gecorrigeerd. In 1969, toen hij voor fabrikant Gelderland de Kubusbank had ontworpen, hier trots middelpunt, kwam hij ook met een bank op de markt in het beproefde idioom van leer en chroom. Zo succesvol als de ene was, zo mislukt was de andere, althans in commerciële zin. De uitgangspunten van dit ontwerp, hier slechts als foto aanwezig, keren terug in de twintig jaar later ontworpen (en bekroonde) fauteuil Lotus (1990). Ook hier de modernistische erfenis van verchroomde buis en zwart leer, zij het gedacht in de geest van de clubfauteuil, conform het postmodernistische credo something old and something new.

Het succes van de ontwerpen van Des Bouvrie ligt voor een belangrijk deel in deze strategie van het dubbelspoor. Naast de eenvoudige vierkante vormen (maar wel met afgeronde hoeken) die zijn werk vanaf het begin kenmerkten, werkte hij ook in een alternatief idioom van gebogen vormen. Naast de symfonieën van textiel (bank, fauteuil, poef) waarvan de constructie onzichtbaar is, waren er vanaf het begin ook ontwerpen waarvan de constructie beeldbepalend is. Naast het principe van herhaling van en variatie op een grondvorm hanteert hij het principe van combinatie van tegenstellingen.

Ook de tentoonstelling kent een dubbelspoor. Na de grande parade van ontwerpen in de bovenzaal, volgt de kleine parade van toepassingen in de benedenzaal. De kleur van elke 'kamer' is de aanduiding van een sfeer: groen is de tuin, blauw is de slaapkamer, zwart-wit de werkkamer, met daartussen twee frivole varianten: een kamer betegeld in zilver en goud, en een witte kamer met grote rode stippen. Geëxposeerd is niet meer dan een bed of een bank met toebehoren (nachtkastjes en lampen of bijzettafels) en op de tegenoverliggende muur een kunstwerk. De inrichting vormt zo een spiegeling van die daarboven en demonstreert bij alle eenvoud haar veelzijdigheid. De kamers zijn variaties op elkaar, zoals Des Bouvrie's ontwerpen variaties zijn. De kubusbanken die zo succesvol waren in stof, werden gekopieerd (of 'geciteerd') in banken met flanken van rotan. De pootjes die het zo leuk deden bij stoel A keren terug bij stoel B.

Wie, zoals Jan des Bouvrie, goed luistert naar de wensen van zijn klanten, die luistert ook naar de mondjes van de mode. Kleuren en materialen die op zeker moment als 'eigentijds' gelden, worden door hem vlot omarmt. Vormen die als 'speels' furore maken of als 'klassiek' van alle tijden zijn, worden toegepast als daar vraag naar is. Zo duiken nu spitse tafelpootjes op die herinneren aan de hoorntjes van Starck, zoals vroeger armleggers á la Oud of dubbele sleden à la Aalto en Breuer opdoken. Des Bouvrie is naar eigen zeggen een goed verkenner van de markt: jaarlijks maakt hij minstens een wereldreis om op de hoogte te blijven van wat elders speelt. Wat geen incident is maar een patroon komt in aanmerking voor een vaderlandse variant.

Is dat nu erg?

Nee, dat is precies wat meubels moeten zijn: eigentijds en aantrekkelijk, een beetje van nu en een beetje van toen. Des Bouvrie heeft zich de lijfspreuk van Raymond Loewy eigen gemaakt: MAYA, wat staat voor Most Advanced, Yet Acceptable. Met andere woorden, nooit zover voor de stoet uitlopen dat de muziek niet langer hoorbaar is.

    • Ron Kaal