Contanten in vermomming

Betalen of uitbetaald worden kan op vele manieren. Bij de bank, via de giro, in klinkende munt of door middel van de computer thuis. Geld is steeds vaker iets elektronisch. Omdat bijvoorbeeld pinnen zo handig is. Maar er zijn ook nadelen: de veiligheid en de kosten voor de consument en de winkelier. Zes geldmiddelen op een rij.

Bankbiljetten en geldmunten worden steeds meer verdrongen door elektronische betalingsmiddelen. Maar de makers zijn niet in paniek en geloven voorlopig nog in hun produkt.

STEEDS MEER GELD verdwijnt. Dat wil zeggen: het geld als direct hanteerbaar middel in de vorm van bankbiljetten en munten. Geld gaat schuil achter plastic betaalkaarten, bank- en girorekeningen, pincodes of vermomt zich straks in oplaadbare betaalkaarten. Het klassieke bankbiljet en de edele munt worden in hun voortbestaan bedreigd.

De Nederlandsche Bank (DNB) houdt er rekening mee dat contante betalingen op den duur helemaal of vrijwel helemaal verdwijnen. De centrale bank bracht onlangs een studierapport uit waarin het scenario wordt geschetst van de cashloze maatschappij.

De Nederlandsche Bank gaat er daarbij vanuit dat straks via betaalkaarten ook de kleinere transacties worden betaald. Het gevolg zal zijn dat meer dan 85 procent van de geldmunten uit de circulatie verdwijnen. Bij bankbiljetten is de berekende teruggang procentueel aanmerkelijk minder, zo'n zeven procent.

Bij dit effect komen de gevolgen van het pinnen of andere elektronische betaalmethoden (zoals via de computer). Anders dan bij betaalkaarten zijn de bedragen die hiermee kunnen worden voldaan, niet aan een maximum gebonden. De centrale bank voorziet een combinatie van de diverse mogelijkheden waarbij alle kleinere bedragen via betaalkaarten zullen worden betaald en alle hogere bedragen langs elektronische weg. Dan is het gedaan met munten en bankbiljetten in het betalingsverkeer.

Volgens de studie blijft het contante geld voorlopig wel bestaan omdat veel papiergeld en munten zijn opgepot. Maar naarmate technologische ontwikkelingen ervoor zullen zorgen dat geld op een veilige en anonieme manier ook elektronisch is te bewaren, zullen spaarsaldi in de vorm van bankbiljetten meer en meer verdwijnen.

De onderzoekers tekenen aan dat zij een situatie beschrijven die zich op de lange termijn kan voordoen. Wanneer dit zover zal zijn, is niet duidelijk. Het hangt onder meer af van technologische ontwikkelingen, de risico's van fraude en vooral de kosten en tarieven. Maar als eenmaal een bepaald aantal consumenten het elektronisch betalen prefereert en er voldoende voorzieningen voor zijn, kon er wel eens een sneeuwbaleffect ontstaan, waarbij bankbiljetten en munten als betaalmiddel in vijf tot tien jaar tot de historie behoren.

De geleidelijkheid van zo'n proces voorkomt wellicht het gevoel van de cultuurschok die hoort bij de verdwijning van een traditie na honderden jaren en de vaststelling dat geld straks niet meer letterlijk zal rollen. Maar toch: is er dan geen reden voor onrust in ten minste de contreien van Haarlem en Utrecht, daar waar respectievelijk de bankbiljetten worden gedrukt (Joh. Enschedé) en de munten worden geslagen (De Nederlandse Munt nv)?

Nee, er is geen paniek, omdat het ongeloof in de verdwijning van geldstukken en bankbiljetten overheerst. Muntmeester Chr. van Draanen denkt er niet over het personeelsbestand van zijn (geprivatiseerde) onderneming alvast in te krimpen, integendeel. De 120 werknemers van De Nederlandse Munt krijgen er in 1999 15 of 16 collega's bij, omdat hun dan een omvangrijke klus wacht: de produktie van de acht verschillende euromunten. In drie jaar tijds moeten er daarvan anderhalf miljard worden geslagen (van de vijftig miljard euromunten die in de Europese Unie zullen worden verspreid). Ter vergelijking: de huidige jaarproduktie bedraagt 100 miljoen Nederlandse munten. Het Utrechtse bedrijf ziet zich genoodzaakt straks in tweeploegendiensten te gaan draaien om aan de vraag te kunnen voldoen.

Daarna, dat wil zeggen zo omstreeks 2002, ziet De Nederlandse Munt wel of het elektronische geld werkelijk de vlucht heeft genomen die sommigen voorspellen. Van Draanen is sceptisch gestemd - men zou in zijn geval ook kunnen zeggen: optimistisch. Contante betalingen, om een reden daarvoor te noemen, hebben het voordeel van anonimiteit, die menigeen bijvoorbeeld uit fiscale overwegingen zal blijven prefereren.

Om meer redenen gelooft de muntmeester niet zo in een machtsgreep van chipper of chipknip, in het bijzonder niet zolang zij de winkelier nog zoveel geld kosten. Een winkelier die 11,5 cent per transactie moet betalen, zal zich wel twee keer bedenken als dat een pakje kauwgom van een gulden betreft. Als zijn inkoopprijs 85 cent bedraagt, hij 6 cent btw aan de overheid moet betalen en ook nog eens 11,5 cent aan de bank, zal hij de koper al gauw vragen: heeft u niet zo'n ouderwetse gulden (of straks zo'n moderne euro).

De vergelijking met een papieren rolletje stuivers dringt zich op. Voor zo'n rolletje wisselgeld met een waarde van twee gulden moest de winkelier tot voor kort zestig cent extra aan de bank betalen. Dat was menigeen te gortig - en een van de verklaringen waarom winkeliers hun klanten graag vroegen of ze er een stuiver bij hadden. De meeste banken hebben deze tarieven nu verlaagd of afgeschaft.

Bij de divisie bankbiljetten van drukkerij Joh. Enschedé in Haarlem werken zo'n 140 à 150 mensen. De komst van de euro houdt ook daar vooralsnog de gemoederen meer bezig dan de bedreiging die elektronisch geldverkeer vormt. Enschedé is er nog niet zeker van, maar het bedrijf gaat er vanuit dat een deel van deze toekomstige order in Haarlem zal worden uitgevoerd en dat al in 1998 met de voorproduktie van eurobiljetten een begin moet worden gemaakt. Anders dan in het verleden - sinds 1814 bestaat er een haast onaantastbare band tussen DNB en Enschedé - is de fabricage van de euro in principe onderhevig aan de internationale wetten van de vrije markt.

Geld maken kost geld; het bedrijf dat dit produktieproces zowel goed als goedkoop weet te doen, kan straks een hoop verdienen. Desnoods elektronisch.

HISTORIE

1814. Willem I richt De Nederlandsche Bank op, die de eerste Nederlandse bankbiljetten uitgeeft. De kleinste coupures waren 25 gulden. De biljetten werden roodborstjes genoemd en voor de groothandel gebruikt.

1864. De Nederlandsche Bank krijgt via de Bankwet officieel het recht bankbiljetten uit te geven.

1904. De bankbiljetten worden wettig betaalmiddel. Voor het eerst wordt een biljet van 10 gulden uitgegeven.

1948. De Nederlandsche Bank krijgt het monopolie bij de uitgifte van bankbiljetten.

SLET OF MAAGD

Bankbiljetten ontwerpen is meer dan geld maken: het is ook een vorm van kunst of een methode om van kunst gebruik te maken. De ontwerpfase gaat gepaard met halve mislukkingen, proefdrukken en noodgrepen. Tot er een biljet ontstaat dat De Nederlandsche Bank voor uitgave geschikt acht.

Linksboven: Een proefdruk uit 1955 van een reservebiljet van 1000 gulden.

Linksmidden: het eerste tientje uit 1904, ontworpen door Nicolaas van der Waay, waarop hij de begrippen arbeid en welvaart personifieerde.

Linksonder. Een biljet van 200 gulden, eveneens van Van der Waay, uit 1922, met daarop de 'Nederlandse maagd'. Het biljet was omstreden: critici spraken ook wel van een 'slet in nachtgewaad'.

Rechtsboven: een testbiljet van 12 gulden met daarop 'Het Meisje' van Johannes Vermeer. Het werd in 1970 gebruikt om de eerste biljettensorteermachines te testen.

Rechtsmidden: koningin Wilhelmina op een muntbiljet van 2 gulden, uitgegeven in 1945, kort na de oorlog, en ontworpen door Thomas de la Rue.

Rechtsonder: een briefje van 50 gulden uit 1930 met daarop het hoofd van de Romeinse godin Minerva van ontwerper Jacob Jongert, een vertegenwoordiger van de stroming die later, in de jaren zestig, art déco zou worden genoemd.

SPECIALE MUNTEN

'Wijksdaalders', 'Delftsche duyten', 'zilveren dukaten'. Ieder jaar geven vele steden speciale munten uit ter viering van jubilea of andere feestelijkheden. Met de penningen kan binnen de gemeenten vaak betaald worden, maar een wettig betaalmiddel zijn ze niet. Dat geldt wel voor de bijzondere munten die het rijk uitgeeft, zoals het zilveren tientje 'Jan Steen' van dit jaar. Hiervan zijn er anderhalf miljoen in omloop gebracht.

Afbeeldingen:

Eén ketelbinkie. Tijdelijk betaalmiddel in de Rotterdamse wijk Delfshaven, in 1993 Foto's Hans Kokx

Het Delfshavense 'matje' uit 1994, met een afbeelding van Oppie Opzoomer, het Rotterdamse symbool voor de sociale vernieuwing.

De 'erica' (Latijn voor 'heide'), ter viering van 1200 jaar Apeldoorn in 1993. De munt was een (zeer beperkt) betaalmiddel in de gemeente.

Vijf 'Delftsche Duyten' uit 1996, uitgegeven ter viering van het 750-jarig bestaan van de stad.

Kopzijde van een Geertruidenbergse penning uit 1993, ter herinnering aan het beleg van Hollands oudste stad.

    • John Kroon