Betalen voor eigen rekening

Betalen of uitbetaald worden kan op vele manieren. Bij de bank, via de giro, in klinkende munt of door middel van de computer thuis. Geld is steeds vaker iets elektronisch. Omdat bijvoorbeeld pinnen zo handig is. Maar er zijn ook nadelen: de veiligheid en de kosten voor de consument en de winkelier. Zes geldmiddelen op een rij.

Dagelijks zijn er in Nederland acht miljoen overschrijvingen: van de ene rekening naar de andere.

HET LOONZAKJE - een lichtbruine enveloppe van 14 bij 9,5 centimeter - is historie. Tot de jaren zestig werd meestal op vrijdag in het envelopje het weekloon contant uitgekeerd. Maar bedrijven wilden op een simpele en veilige manier salarissen uitbetalen. Werknemers werden gestimuleerd een salarisrekening te nemen. Het inefficiënte loonzakje werd vervangen door de efficiënte girale overboeking.

Wanneer een bedrijf het salaris overmaakt naar een bank, krijgt de werknemer een vordering op de bank. Zo'n vordering is giraal geld (van het Griekse gyros dat rondgang betekent). Het grootste deel van de geldvoorraad in geïndustrialiseerde landen bestaat uit giraal geld en niet uit munten en bankbiljetten (het zogenoemde chartaal geld).

Giraal geld is in het financieel verkeer algemeen aanvaard. De betaling van bijvoorbeeld een treinkaartje kan door het uitschrijven van een betaalcheque gebeuren. Die cheque wordt bij de bank ingeleverd door degene die haar aanneemt, in dit geval de spoorwegen. De bank schrijft dan het bedrag van de koper van het spoorkaartje af en schrijft het bij op de rekening van het spoor.

Dagelijks zijn er acht miljoen overschrijvingen in Nederland; zeventig procent van deze overboekingen worden gedaan door Interpay/bankgirocentrale. Deze instelling zorgt voor het girale verkeer tussen banken. Vorig jaar werden gemiddeld 5,6 miljoen transacties verwerkt die met onder meer acceptgiro's, machtigingen, overboekingen, credit cards, PIN-passen en cheques zijn verricht. Het ging daarbij om een bedrag van 7,3 miljard gulden.

De Postbank neemt het leeuwendeel van de overschrijvingen voor haar rekening; een historisch gegroeide positie. Tot na de Tweede Wereldoorlog waren de financiële instellingen in Nederland sterk gespecialiseerd. De Postgiro, voorloper van de Postbank, zorgde via de postkantoren voor het massale girale betalingsverkeer van de economische middengroepen.

De handelsbanken verzorgden de kredietverlening voor handel en industrie, beheerden gelden van bedrijven en welgestelde particulieren en verzorgden het daaruit voortvloeiende girale betalingsverkeer. De boeren bankierden bij de landbouwkredietinstellingen. De spaarbanken en de Rijkspostspaarbank boden de 'gewone man' vanuit een sociale doelstelling de gelegenheid op veilige wijze geld opzij te leggen.

In de tweede helft van de jaren vijftig begon deze strikte verdeling te verdwijnen. In deze periode, het economische eldorado, steeg het besteedbaar inkomen in Nederland. Veel werknemers ontvingen hun inkomen nog chartaal, maar een toenemend aantal opende een rekening bij de Postgiro en ontving het inkomen daarop. Steeds meer bedrijven en instellingen - en ook de overheid - gingen over op girale betaling van salarissen, pensioenen en sociale uitkeringen. In bedrijfseconomisch opzicht was dit veel efficiënter dan de traditionele arbeidsintensieve, en dus dure, contante uitbetaling. In tien jaar verdrievoudigde het aantal postrekeningen bijna, van 788.000 in 1960 tot 2.225.000 in 1970.

Het gevolg was dat een steeds groter deel van de particuliere financiële activiteiten terechtkwam bij de Postgiro. Om deze ontwikkeling te bestrijden en de geldstroom naar het bancaire circuit te leiden, boden de banken op grote schaal girale overboekingsfaciliteiten aan om zoveel mogelijk cliënten aan te trekken. Een categorie klanten die de banken tot dan toe niet hadden zien staan. Ze namen zelfs genoegen met een verlies op de betaalrekeningen omdat dit werd gecompenseerd via de verkoop van andere financiële produkten, zoals spaarrekeningen, hypotheken, leningen en verzekeringen.

Sinds 1967 ging Nederland massaal giraal door de oprichting van de bankgirocentrale, de introductie van de betaalcheque, en de invoering op grote schaal van de rentegevende salarisrekening. De hoge mate waarin het betalingsverkeer werd gegiraliseerd, blijkt uit de ingrijpende verschuiving in de samenstelling van de geldhoeveelheid. Dit speelde zich af in de jaren 1967-1972 toen de verhouding giraal-chartaal geld zich wijzigde van 55-45 procent in 67-33 procent. Sindsdien is de verhouding van de geldhoeveelheid geleidelijk veranderd in 75 procent giraal en 25 procent chartaal.

De banken voerden met de Postgiro een felle strijd om de particuliere cliënt. De sporen van de concurrentiestrijd zijn nog steeds zichtbaar in de verwerking van het girale betalingsverkeer. Nederland kent twee betalingscircuits: de gezamenlijke banken versus de Postbank. Voor veel particulieren en bedrijven is dit een reden om twee betaalrekeningen te hebben.

De gescheiden systemen leveren vertragingen op bij het overboeken van bedragen van het ene naar het andere systeem. Maar na twintig jaar 'girale strijd' worden volgend jaar de systemen geïntegreerd in het Nationaal Betalingscircuit en vervalt de noodzaak voor het aanhouden van een rekening in beide circuits.

De banken proberen met het zogeheten valuteren de kosten van het giraal betalingsverkeer te financieren. Valutering komt er op neer dat banken een overboeking een of meer dagen vasthouden en de rentewinst daarop gebruiken om de kosten in het betalingsverkeer te bestrijden. Het levert naar schatting één miljard gulden per jaar op.

Om de kosten verder te drukken, zijn de banken tarieven gaan berekenen. Een actie waarmee de banken zijn begonnen toen het giraal betalen gemeengoed was geworden. Consumenten hebben de terechte indruk dat ze eerst allemaal, via enorme reclamecampagnes, aan de girorekening zijn geholpen en er daarna geld voor moesten betalen. Met de tarieven hebben de banken het betaalgedrag van hun cliënten beïnvloed. Het gebruik van de betaalcheque, relatief duur in de administratieve verwerking, is sterk gedaald. Het aantal automatische betalingen steeg in de periode 1990-1995 met vijftig procent; dit ging ten koste van de handgeschreven opdracht en acceptgiro. Verder steeg de omvang van de betalingen met betaalautomaten van 23 miljoen gulden in 1991 tot 250 miljoen gulden dit jaar.

Sinds 1 januari van dit jaar hebben de banken de meeste betaaltarieven afgeschaft. Verrassend snel en in groten getale zijn de consumenten efficiënt gaan betalen, want de idee te moeten dokken voor je eigen geld stuitte veel consumenten tegen de borst.

HISTORIE

1959. De Twentsche Bank introduceert de salarisrekening. Maar werknemers missen het vertrouwde loonzakje en halen het geld direct van de bank. Terwijl de salarisrekening juist was geïntroduceerd om het giraal tegoed vast te houden.

1962. Het project van de Twentsche Bank wordt als een mislukking bestempeld.

1964. De ABN, een fusie van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Twentsche Bank, voert opnieuw de salarisrekening in, aangespoord door het bedrijfsleven dat een efficiënte en veilige manier wil om de salarissen uit te betalen.

1967. Introductie van de betaalcheque. Nederland gaat daarna massaal giraal.

    • Cees Banning