Alleen de wetgever

IS DE BEKER van een controleerbare euthanasiepraktijk nu halfvol of halfleeg? “Het meldingsgedrag van artsen is de afgelopen vijf jaar aanzienlijk verbeterd”, zo wordt vastgesteld in een onderzoek in opdracht van de regering, “maar het is nog lang niet wat het zou moeten zijn.” Meldingsgedrag zegt niet alles over de inhoudelijke zorgvuldigheid van de verleende stervenshulp.

Er zijn volgens de onderzoekers geen tekenen van een lichtvaardiger besluitvorming - eerder van het tegendeel. Zo nam het aantal gevallen van levensbeëindiging zònder uitdrukkelijk verzoek van de patiënt enigszins af, al bleef dat aantal aanzienlijk en worden dit soort gevallen vrijwel niet gemeld. Het gaat hier wèl bij uitstek om een risico-categorie.

De toetsbaarheid van het medisch handelen blijft een punt van zorg, temeer daar de kwaliteit van het leven een belangrijke rol speelt bij euthanasiebeslissingen. Dat is een in wezen niet-medische norm. De veelgehoorde stelling dat de justitie geen boodschap heeft aan wat zich afspeelt tussen arts en patiënt is principieel onaanvaardbaar. De organen van de justitie past respect voor de menselijke context van stervenshulp. Het gaat echter om mensenlevens. Strafrechtelijke toetsing blijft dan ook een onontbeerlijk sluitstuk, al vormt de justitiële bemoeienis voor veel medici een struikelblok om euthanasiegevallen eerlijk te melden.

DE MEDISCHE beroepsgroep is geneigd tot overdrijving van het ongemak. Van de ruim 6.300 gevallen die in de periode 1990-1995 zijn gemeld, leidden slechts 120 tot een bespreking door het college van procureurs-generaal dat over strafvervolging beslist - op zichzelf al een uitzonderlijke procedure. In 22 gevallen werd een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld dat uitliep op de beslissing geen vervolging in te stellen. In 13 gevallen volgde een dagvaarding. Het aantal uiteindelijke veroordelingen van artsen blijft duidelijk onder dit aantal.

Het kabinet denkt nu aan het instellen van multi-disciplinaire toetsingscommissies als een soort zeef tussen arts en justitie. Mits geen medisch onderonsje kunnen deze een praktische bijdrage leveren aan het beter controleerbaar maken van de euthanasiepraktijk. Het werkelijke probleem zit dieper en betreft de juridische grondslag voor de straffeloosheid van de zorgvuldige arts. Deze kan een beroep doen op 'noodtoestand', een vorm van overmacht. Een dergelijk beroep “is slechts aan de orde in een onvoorzienbare situatie en kan dus niet als een instrument van beleid dienen”, merkte het kabinet eerder dit jaar op in een brief aan de Tweede Kamer. Deze verklaring had betrekking op de normering van bijzondere opsporingmethoden en de betrokken ministers concludeerden dat deze niet uitsluitend kan rusten op rechterlijke uitspraken maar dat er een wettelijke regeling moet komen.

DEZE DIAGNOSE gaat evenzeer op voor het euthanasievraagstuk. Zonder nadere richtinggevende uitspraken van de wetgever lopen ook de nieuwe toetsingscommissies het gevaar de beperkingen te ontmoeten van de tot nu toe gevolgde jurisprudentiële aanpak. Een eerste opgave is gevraagde en ongevraagde euthanasie beter te scheiden. Dit zijn principieel verschillende problemen die nu ten onrechte op één lijn worden gesteld. De vorm, met name de mate van gedetailleerdheid, die de wettelijke verankering van euthanasie dient te krijgen, is geen bekeken zaak. Het wordt wel steeds duidelijker dat er een behoefte aan zekerheid bestaat die alleen de wetgever kan verschaffen.