Luxe-probleem

Sociaal-wetenschappelijk onderzoek is nooit vrij van ideologie. Dat komt doordat het steeds meer als politiek breekijzer is gaan fungeren. Wie beleid wil maken, kan niet op aandrang van zijn achterban zeggen dat maatregel X maatschappelijk probleem Y zal verhelpen, nee, hij moet met bewijzen komen: met statistieken, grafieken en verwachte succespercentages. Zonder zo'n computer-gegenereerd ondergrondje van correlatiecoëfficiënten gaat het feest niet door.

Een mooi voorbeeld hiervan is de discussie over de wenselijkheid van kleine klassen in het basisonderwijs. Jarenlang heeft het ministerie vastgehouden aan grote klassen onder verwijzing naar onderwijskundig onderzoek dat groot of klein niets uitmaakt voor de leerprestaties. Dan komt het STAR-experiment van Tennessee uit de blauwe lucht vallen, waaruit blijkt dat kinderen in kleine klassen wel degelijk meer opsteken dan in grote. Bij het ministerie zet men onmiddellijk een commissie aan het werk die wat Nederlandse pendanten bij elkaar moet vegen en bingo: de klassegrootte gaat omlaag.

Iedereen tevreden. Of toch niet helemaal? In de wetenschapsbijlage van afgelopen zaterdag hielden twee economische onderzoekers een pleidooi voor grote klassen, althans ze waarschuwden tegen het over de balk gooien van zwak wetenschappelijk onderbouwd geld. Volgens de heren Oosterbeek en Webbink, die zich over de kleine statistische lettertjes in de bijlagen gebogen hebben, is er nog steeds geen enkel hard bewijs voor het verband tussen klassegrootte en leerprestaties. En zo het er al is, werkt het de andere kant op: groter is beter.

Als ik even binnen dit statistisch denkkader blijf, dan heb ik nog wel een suggestie ter verklaring van dit tegen de intuïtie ingaande effect. Je hebt in Nederland elitescholen en zwarte scholen. Veel ouders doen alle mogelijke moeite om hun kind op een eliteschool te krijgen. Hoofden van zwarte binnenstadsscholen proberen meer leerlingen binnen te krijgen door hun kleine klassen en extra leermiddelen als lokkertje te gebruiken, maar die ouders vertikken het. Liever rijden ze hun kind een half uur naar een buitenwijk, waar het in een klas van 38 erbij gepropt wordt. De schoolresultaten zijn daar nu eenmaal beter. Wat we hier kortom aan het meten zijn is een milieu-effect en niet het effect van klassegrootte.

Iedereen weet dat vergeleken bij de invloed van het thuismilieu op schoolprestaties alle andere variabelen in het niet vallen. Klassegrootte, kwaliteit van de leerkrachten, van het lesmateriaal en het schoolgebouw leggen nauwelijks nog gewicht in de schaal, als het milieu-effect er eenmaal van afgetrokken is. Dat neemt niet weg dat ouders en leerkrachten die andere variabelen wel vreselijk belangrijk vinden. Niemand is dol op grote klassen. Iedereen wil liever een goede leraar voor z'n kind dan een slechte. Iedereen wil liever modern en aansprekend lesmateriaal (computers!) dan verfomfaaide oude troep. Of het ook iets uitmaakt? Leer bij wijze van experiment één klas met kinderen rekenen volgens een of andere jaren-vijftigmethode en gebruik voor een andere klas een moderne methode. Ik voorspel geen enkel verschil in rekenvaardigheid. Misschien nog een ideetje voor geldbesparing in het onderwijs?

Sommige dingen hoeven niet onderzocht te worden, omdat ze van zichzelf al duidelijk zijn. Het is bijvoorbeeld niet nodig om de woonsatisfactie van bewoners van kleine huizen te onderzoeken om kleiner te kunnen bouwen, want de meeste mensen willen een ruim huis. Oosterbeek en Webbink kritiseren het Tennessee-onderzoek, omdat de onderwijzers er persoonlijk belang bij zouden hebben gehad. Bij gunstige resultaten zouden zij in de toekomst ook met kleinere klassen kunnen werken! O, de perfiditeit van proefpersonen! Je laat ze als proef een jaar in een ruim huis wonen en je beschuldigt ze van onwetenschappelijke vooringenomenheid, als ze vrezen terug te moeten keren naar dat krappe appartementje.

De klassegrootte zal nooit op een wetenschappelijk sluitende manier bepaald kunnen worden. De vraag is: wil je iets meer luxe, of heb je daar geen geld voor over? Politici moeten die prioriteiten zelf leggen op grond van inhoudelijke overwegingen. Die zullen discutabel zijn, maar cijfers zijn dat ook.

    • Beatrijs Ritsema