Leden oppositie in Indonesië vrijgelaten

ROTTERDAM, 27 NOV. Indonesische rechters hebben vanmorgen de vrijlating gelast van alle 124 aanhangers van oppositieleidster Megawati Soekarnoputri, die vier maanden geleden werden opgepakt na ernstige onlusten in Jakarta.

In tien verschillende uitspraken besloten magistraten van de arrondissementsrechtbank van Centraal-Jakarta tot vrijspraak van negen beklaagden en veroordeelden ze de overige 115 tot vrijheidsstraffen voor de duur van hun voorarrest.

De 124 zaten vast sinds 27 juli, toen Jakarta de ernstigste rellen beleefde sinds twintig jaar. Duizenden leden en sympathisanten van de semi-oppositionele Democratische Partij (PDI) protesteerden die dag tegen de bestorming van hun partijhoofdkwartier door vechtersbazen in partijtenue, die werden bijgestaan door oproerpolitie. Het gebouw werd al weken bezet gehouden door supporters van de populaire Megawati, een dochter van wijlen president Soekarno die in 1993 werd verkozen tot PDI-voorzitster en in juni door dissidente bestuursleden werd afgezet. Dat gebeurde tegen de wil van een meerderheid van de partijafdelingen tijdens een congres dat inderhaast was belegd met logistieke en financiële steun van regering en strijdkrachten.

Vanochtend heeft Amnesty International een rapport gepubliceerd over de rellen en de golf van repressie die daarop volgde. Volgens Amnesty vielen tijdens en na de inval in het PDI-hoofdkwartier vijf doden en tientallen ernstig gewonden. In de weken na de onlusten zouden 249 mensen zijn opgepakt en er zouden nog steeds 23 pro-Megawatibetogers worden vermist. Amnesty pleit voor een onafhankelijk onderzoek naar het lot van de vermisten. Hoewel de Indonesische regering de stormloop op het PDI-hoofdkwartier heeft afgeschilderd als een intern partijconflict, levert het Amnesty-rapport de bewijzen dat leger en politie de bestormers ter zijde stonden en nadien uitsluitend Megawati-aanhangers oppakten. Van de tien PDI-parlementariërs die na 27 juli door de politie werden verhoord, waren er negen medestanders van Megawati.

Amnesty citeert uitvoerig uit de verklaring die de Nationale Commissie voor de Rechten van de Mens (Komnasham), een semi-officieel Indonesisch college, op 12 oktober publiceerde over de toedracht van de rellen op 27 juli. De volledige tekst van de verklaring is opgenomen in het aanhangsel van het Amnestyrapport. Komnasham rept daarin van “overmatige en eenzijdige inmenging van regering en strijdkrachten” in het PDI-conflict en de commissie beklemtoont dat de betogingen, waarbij auto', bussen en bankgebouwen in brand werden gestoken, een reactie waren op de overval op het PDI-hoofdkwartier.

Komnasham werd drie jaar geleden in het leven geroepen op last van president Soeharto. De eerste voorzitter was wijlen Ali Said, voormalig opperrechter en vertrouweling van Soeharto. Het viel hem destijds moeilijk om leden te werven onder activisten voor de rechten van de mens, die twijfel uitspraken over de onafhankelijkheid van het college. Wie toetraden, waren voormalige parlementariërs, juristen, religieuze voormannen en een gepensioneerde politiegeneraal. Secretaris is Baharuddin Lopa, secretaris-generaal voor het gevangeniswezen van het ministerie van Justitie. De werkzaamheden van de commissie worden bekostigd door het machtige Staatssecretariaat, maar de commissie mag zelf bepalen welke zaken ze wil onderzoeken.

In de drie jaar van zijn bestaan heeft het gezelschap een reeks aandachttrekkende rapporten uitgebracht, onder meer over mensenrechtenschendingen in Oost-Timor en Irian Jaya en over de moord op arbeidersactiviste Marsinah, waarin de autoriteiten niet werden gespaard. De uitvoerige vermelding in het jongste Amnestyrapport kan worden uitgelegd als een vorm van internationale erkenning voor de inspanningen van de commissie.