Industrie wil in Airbus meedoen

DEN HAAG, 27 NOV. Stork en een dochteronderneming van Akzo Nobel hebben vergevorderde plannen om mee te doen aan de ontwikkeling van een nieuwe super-Airbus, de A3XX.

Beide bedrijven willen echter dat de overheid via ontwikkelingskredieten bijdraagt in de kosten. Een meerderheid van de Tweede Kamer is daartoe bereid. Fokker Aerostructures, dat sinds begin dit jaar onderdeel uitmaakt van het Stork-concern, heeft met Airbus een “memorandum of understanding” opgesteld waarin Storks betrokkenheid bij de ontwikkeling van de A3XX wordt geregeld. Dit is een supergroot passagiersvliegtuig dat, afhankelijk van de versies, tussen de 500 en 850 zitplaatsen moet krijgen.

Volgend jaar valt het besluit of het vliegtuig, dat moet gaan concurreren met de Boeing 747-500/600, in produktie wordt genomen. In de ontwerpfase van het nieuwe vliegtuig zal Fokker Aerostructures - een bedrijf dat deel uitmaakt van Fokker Aviation - maximaal tien ontwerpers voor een jaar voor Airbus inschakelen. Met de offerte is een paar miljoen gulden gemoeid, zo bevestigt directeur K. de Koning van Fokker Aerostructures. In het memorandum of understanding worden momenteel volgens De Koning “de laatste punten en komma's gezet”. Het is de bedoeling dat in het jaar 2001 het eerste prototype van de super-Airbus klaar is. Stork hoopt op nog meer betrokkenheid bij het project.

Ook andere Nederlandse bedrijven azen op orders van Airbus. Zo is Structural Laminates Company (SLC) - een joint venture van Alcoa en Akzo Nobel - in de markt om de romphuid van de nieuwe super-Airbus te leveren. Voor het door SLC ontwikkelde nieuwe materiaal Glare zou in Toulouse veel belangstelling bestaan. Voor meer Nederlandse betrokkenheid bij Airbus wordt het echter noodzakelijk geacht dat via het Nederlands Instituut voor Vliegtuigbouw en Ruimtevaart (NIVR) ontwikkelingskredieten worden verleend. In het verleden gebeurde dat eerder bij de A300 en A310.