'Euthanasie kan iets heel moois zijn'

ROTTERDAM, 27 NOV. De situatie in Nederland rond levensbeëindigend medisch handelen is “verantwoord”, vinden de onderzoekers prof. dr. P.J. van der Maas en prof. dr. G. van der Wal. Euthanasie is geaccepteerd door het grootste deel van de samenleving, artsen melden vaker beslissingen rond het levenseinde en de procedures worden zorgvuldiger gevolgd. Toch zijn er veel verbeteringen mogelijk en het is belangrijk de situatie te blijven “bewaken” met regelmatige onderzoek.

De beide hoogleraren hadden verwacht dat hulp bij zelfdoding in veel gevallen de plaats van euthanasie zou hebben ingenomen. Bij hulp bij zelfdoding stelt de arts de middelen beschikbaar zonder deze zelf toe te dienen. Volgens Van der Maas, hoogleraar maatschappelijke gezondheidszorg aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit is echter alleen het aantal gevallen van euthanasie de afgelopen vijf jaar gegroeid. “Wij hadden gedacht dat de eigen verantwoordelijkheid van degene die wil overlijden, een steeds belangrijkere rol zou gaan spelen. Dat blijkt dus niet het geval.”

Wat de onderzoekers verder heeft getroffen, is dat hulp bij zelfdoding in de psychiatrie heel weinig voorkomt. Psychiaters krijgen vaak verzoeken daartoe, en kunnen zich ook inwilliging daarvan goed voorstellen bij zeer ernstig psychisch lijden. Maar zelf gaan ze er zelden toe over. Van der Wal, hoogleraar sociale geneeskunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam: “Dat is een interessant beeld. Misschien dat een aantal mensen hierdoor in de kou blijft staan. En misschien is het in sommige gevallen ook gebrek aan moed. Maar ik zie het voorlopig toch vooral als een teken van zorgvuldig handelen. Het is ook geruststellend dat psychiatrische patiënten die zo'n noodkreet afgeven niet zomaar geholpen worden. In Nederland gebeurt het allemaal niet zomaar. Zo is het ook een geruststellend beeld dat in verpleeghuizen euthanasie nauwelijks voorkomt. Dat wordt altijd gedacht, maar is niet het geval.”

Het aantal gevallen van euthanasie in de afgelopen vijf jaar fors toegenomen. Van der Maas: “Je ziet als een cultuurontwikkeling dat euthanasie en hulp bij zelfdoding een onderdeel van het ziekteproces worden. Als iemand hoort dat hij kanker heeft en misschien niet meer zo lang te leven heeft, gaat hij naar de dokter en zegt: als het vreselijk wordt, zou u dan... De bereidheid van artsen om in een later stadium op een uitdrukkelijk verzoek in te gaan, is gegroeid. Dit geldt ook voor de bereidheid om het bespoedigen van het levenseinde heel expliciet euthanasie te noemen. Dat is een gevolg van de openheid in Nederland.” Van der Wal: “In Japan komt de euthanasiebeweging helemaal niet van de grond. Daar is men nog helemaal niet gewend dat de dokter de patiënt vertelt wat hem mankeert. En het is nu eenmaal ondenkbaar dat je spreekt over je levenseinde als je niet weet wat je hebt.”

Het aantal meldingen van euthanasie en hulp bij zelfdoding is de afgelopen vijf jaar flink toegenomen, vooral door de invoering van de meldingsregeling in 1990. Toch wordt nog steeds maar 40 procent van de gevallen gemeld. Van der Wal: “Er valt enorm veel te verbeteren, maar wij willen toch benadrukken dat 40 procent meldingen een hele vooruitgang is.” Van der Maas: “Je mag die stijging aan de meldingsregeling toeschrijven. De regeling maakte een einde aan verhalen over politie die met zwaailichten de straat in komt rijden om de nabestaanden te gaan verhoren.” Hoe het komt dat de stijging van het aantal meldingen de laatste drie jaar niet heeft doorgezet, weten de onderzoekers niet.

Van der Maas en Van der Wal verwachten dat het percentage meldingen de komende jaren met “een paar tientallen procenten” omhoog kan. Daartoe doen zij een aantal praktische voorstellen. Over de “ingewikkelde” vraag of euthanasie uit het wetboek van strafrecht moet worden geschrapt, spreken de onderzoekers zich niet uit. Artsen zouden in elk geval beter moeten weten wat justitie doet met meldingen. Bijvoorbeeld dat in slechts één op de vijfhonderd gevallen vervolging plaats vindt. Meestal gebeurt dit bij duidelijke schendingen van de zorgvuldigheidseisen of om jurisprudentie uit te lokken in grensverleggende situaties. Van der Wal: “Het zou al veel schelen als dokters weten dat de soep niet zo heet wordt gegeten als hij lijkt te worden opgediend. Het is goed om hier te zeggen dat het openbaar ministerie al die jaren in het algemeen heel terughoudend en verstandig heeft geopereerd. Het heeft niet als een terriër op dit probleem gezeten.”

Verder pleiten de onderzoekers voor meer en professionelere consultatie vooraf door een consulent, deskundig op het gebied van palliatieve zorg, en een toetsing achteraf met meer inbreng van medici. Van der Maas: “De beloning voor het melden is niet groot. Het is veel gedoe. Je moet dus zoeken naar stimulansen waardoor het melden meer wordt ervaren als een ondersteuning bij het medisch handelen rond het levenseinde.”

Dat veel artsen met tegenzin beslissingen over medisch handelen rond het levenseinde melden, heeft volgens de onderzoekers ook te maken met een “moeilijk te overbruggen” kloof tussen medische wereld en juridische wereld. Van der Maas: “Het juridisch jargon en de achterliggende redenering is voor de gemiddelde arts ondoorgrondelijk. Artsen voelen zich volstrekt onbegrepen.” Van der Wal: “Op het moment dat je als arts iets heel moeilijks hebt gedaan, iets wat je veel tijd heeft gekost en waarvoor je alles uit de kast hebt gehaald, moet je ineens een formulier met vijftig vragen invullen. Je komt uit een wereld met over het algemeen een heel dankbare familie en ook een dankbare patiënt, want euthanasie kan iets heel moois zijn. En daarna stap je in een andere wereld waarin je ineens met een heleboel papier moet uitleggen dat je iets hebt gedaan wat niet mag. Dat is een cultuurbreuk. Artsen zullen er aan moeten wennen dat bij het afleggen van verantwoording een zekere mate van rompslomp en papierwerk onvermijdelijk is.”