Een toevlucht in de onherbergzaamheid

Het huis lag in de uitlopers van de Spaanse Pyreneeën. We hadden het voor drie weken gehuurd. Een verbouwde boerderij die de Nederlandse eigenaar vol had gestopt met vreemde beeldjes, eigen werk, die aan Inca-mummmies deden denken, en met een uitgebreide menagerie waar de gasten voor te zorgen hadden.

In de advertentie had alleen gestaan dat kinderen niet op prijs werden gesteld. Het was de eerste vakantie zonder onze zoon, dus dat trof. Onmiddellijk na aankomst bleek waarom de verhuurders de komst van kinderen vreesden. Twee stokoude katten sleten hun laatste dagen in het huis en waren aangewezen op een ingewikkeld dieet, een aquarium vocht een verloren strijd tegen de algenvorming, en dertig spierwitte duiven, 'hoogvliegers', brachten hun leven in kooien op de patio door. Ooit had de eigenaar met de hoogvliegers prijzen gewonnen in Friesland, maar bij de eerste vlucht in de Pyreneeën hadden zich alle sperwers en slangenarenden van Catalonië op de weldoorvoede kampioenen gestort. Voortaan hadden ze huisarrest, en elke dag moesten hun legsels geschud worden om te voorkomen dat er nog meer gekortwiekte hoogvliegers geboren werden. Als troost kregen de broedse exemplaren een stenen ei onder hun kont geschoven. De grootste zorg gold de kolonie gifgroene boomkikkertjes die onder en in de palmbomen huisden. Via de bomen plachten de kikkers op het heetst van de dag door het badkamerraampje binnen te dringen, en omdat ze ook uitstekend tegen tegelwanden konden klimmen verlieten ze 's avonds met evenveel gemak weer het vertrek. De eigenares waarschuwde ons dat ze, behalve voor de vloer, het bad, en de wastafel, een bijzondere voorliefde voor de wc-pot hadden, 'dus was het even oppassen met de bril neerlaten'. De volgende weken spuugde ik mijn tandpasta uit naast een beeldig gedesigned kikkertje dat mij misprijzend aankeek, keerde zorgvuldig de badmatjes om voor ik te water ging, en sloot en opende de deur met zachte hand. Ja, en dan waren er nog de mussen die geregeld in het schoorsteenkanaal duvelden. Als we vreemd gescharrel achter het kachelvenstertje vernamen, moesten we even kijken of er iemand te bevrijden viel. Geen wonder dat het echtpaar reikhalzend naar hun jaarlijks verlof in Beetsterzwaag uitzag.

Op een dag, kort na het middaguur, verliet ik in zwaarmoedige stemming het huis, zoals dat in de berichtgeving heet. Onze zoon was een jaar eerder verongelukt, en deze eerste vakantie zonder hem verliep heel moeizaam. Ik hield het thuis niet meer uit. Eerst klom ik bekende wegen op, maar al gauw sloeg ik een zijpad in dat parallel aan de voet van de berg de stroompjes doorkruiste die tijdens de droge zomer in gruishellingen veranderd waren. Het dalen en klimmen tegen de wanden was een hele kunst, maar dezelfde drijfveer die me van het grote pad had afgebracht joeg me voort, springend over keien, duikend onder bramen en zwiepende takken, glijdend en vallend als het moest. Op het laatst rende ik joelend over een brede wreef van de berg, geschramd, gooiend met stenen en zwaaiend met mijn armen. Een kloof bracht me tot staan. Met bonzend hart keek ik naar beneden. In de diepte zag ik water tussen de bomen. Maar nergens een pad om af te dalen. Ik waagde een 'sliding' langs de helling. Een bosje remde mijn val, en toen zag ik meer. Vlak boven de beek stond een huis. Helemaal alleen. Op de afstand die ik had kon ik een paar mensen onderscheiden. Mensen, kinderen, een hond sprong blaffend om ze heen. Een paar minuten keek ik, door een afgrond ervan gescheiden, naar hoe een echte vakantie eruit zag. Ontnuchterd bevrijdde ik me uit de stekels en kroop terug naar de rand.

Boven aangekomen donderde de zon op mijn kop, en geen gekte beschermde me meer. Ik had genoeg van hitte, stenen en doorns, en ik wist weer wat ik wilde. Naar huis. Na een uur klimmen en dalen was ik doodmoe, bloedde ik aan alle kanten, en had geen idee hoe ik de bewoonde wereld bereiken moest. Even raakte ik in paniek. Waar ik een paar uur tevoren mee gespeeld had, stond me opeens als realiteit voor ogen. Het zou gauw donker worden, en dan koud, ik zou dwalen, vallen en... Het duizelde me en ik zocht de schaduw op. Nadenken moest ik. Ik besloot niet tot elke prijs een pad omhoog te zoeken, maar een van de droge beekjes tussen de tenen van de berg omlaag te volgen. Het water liep tenslotte naar de vlakte, en daar moest ik wezen. Ik vond een ravijn waar het koel was, ik vond zelfs water, en na een half uur dalen stuitte ik op een pad dat uit de wildernis leidde. Toen ik achter in een weitje boven de grond kwam huilde ik bijna van opluchting. Maar er was een prijs: een paar meter verder sloeg de stank van bederf me in het gezicht. Even naast de weg die zich nu duidelijk aftekende schemerde een donkere vlek die toen ik er beverig op afliep het aangevreten karkas van een wild zwijn bleek te zijn. Valstrik, schotwond, vergif? Dit beest had de ark van het Friese echtpaar niet tijdig weten te bereiken.

    • Samuel de Lange