Een tocht naar de stralend witte hemel

Gebouw: Kunstcluster Tilburg. Architect: Jo Coenen. Opdrachtgever: Gemeente Tilburg en Fontys Hogescholen. Bouwkosten: 44 miljoen gulden. Ontworpen: 1992-1994. Bouw: 1994-96

Het is een lange wandeling naar de nieuwe concertzaal in Tilburg, en ze komt vaag bekend voor. De architect van de zaal, Jo Coenen, laat bezoekers van zijn gebouwen immers wel vaker 'promenades architecturales' maken. In het Nederlands Architectuurinstituut bijvoorbeeld, Coenens bekendste gebouw tot nu toe, leiden lange hellingbanen naar de tentoonstellingszaal. Maar de wandeling naar de Tilburgse concertzaal met 800 plaatsen is veel boeiender dan de donkere tocht naar de betonnen expositiezaal van het Architectuurinstituut.

Na het passeren van de garderobe gaat de concertganger omhoog en krijgt achtereenvolgens uitzicht op de voormalige kloostertuin achter de concertzaal en verschillende ruimtes van het gebouw zelf. Vervolgens komt hij na het doorlopen van een ruimte met een opvallend laag plafond terecht in de hoge foyer, vanwaar door een erker het stadhuisplein zichtbaar is. Maar de foyer, waar blauwe kleuren overheersen, is natuurlijk nog niet het einddoel; de ruimte is slechts een wachtkamer, een blauw vagevuur dat ten slotte naar de hemel in de vorm van een stralend witte concertzaal voert. Coenen heeft dit keer een bijna sacrale tocht naar het Tilburgse walhalla van de muziek geregisseerd.

De Tilburgse muziekhemel doet vertrouwd aan, maar is tegelijkertijd verbazend. Als weinig andere architecten weet Coenen oude, traditionele vormen nieuw leven in te blazen. De drie recht boven elkaar gelegen witte balkons zijn duidelijk geïnspireerd op de bekende concert- en schouwburgzalen uit de tijd van de barok, maar de witheid en vooral de verlichting doen elke herinnering aan het rode pluche van zulke zalen vervagen. Achter de half doorzichtige lamellen van acrylaat, waarmee de wanden wegens de akoestiek zijn bekleed, zijn naar een ontwerp van Marc van Gelder en Peter Struycken verschillend gekleurde buislampen aangebracht. Samen met de lampen die in een kruizenpatroon aan het dak zijn gehangen, kunnen zij de zaal in lichterlaaien zetten of juist een stemmige sfeer geven.

Spectaculair is het enige passende woord voor de nieuwe Tilburgse concertzaal die samen met het nieuwe gebouw voor het Brabants Conservatorium en de Dansacademie Brabant deel uitmaakt uit van het zogenaamde Kunstcluster, dat op 11 december officieel wordt geopend door koningin Beatrix. Toch zijn de gebouwen ruim op tijd en binnen het budget opgeleverd, een prestatie die wel eens duidelijk mag worden vermeld in een tijd waarin nieuwe theaters meestal zorgen voor de val van de verantwoordelijke wethouders.

Coenen heeft ruim baan gekregen van het Tilburgse stadsbestuur. De Limburgse architect heeft niet alleen het kunstcluster maar ook de omringende pleinen mogen ontwerpen en hoewel het Koningsplein nog niet helemaal klaar is, kan nu al worden gezegd dat Tilburg dank zij Coenen zijn reputatie van een alleen in noodgevallen te bezoeken stad begint te verliezen.

Coenen heeft in het verleden al bewezen dat hij op doordachte wijze rekening kan houden met de omgeving en ook dit keer stellen zijn ontwerpen niet teleur. De concertzaal is een passend antwoord op de stoere vormen van de schouwburg van Bijvoet en Holt, die er na een grondige schoonmaakbeurt als nieuw bij staat. Net als de schouwburg doet de concertzaal zich voor als een eenvoudig ontwerp: de gewelfde zaal, bekleed met verticale metalen lamellen, is omhuld door een platte, vierkante doos. Maar vooral door de gevelbehandeling is de nieuwe concertzaal veel minder monolithisch dan de oude schouwburg. Zoals het hoort in de jaren negentig heeft Coenen een veelheid aan materialen gebruikt, variërend van het tegenwoordig onvermijdelijke golfplaat en hout tot hardsteen en beton. De doosgevels bestaan afwisselend uit halfopen of gesloten houten panelen en doorzichtig glas, zodat vanaf de straat zichtbaar is hoe de eigenlijke zaal de platte doos van boven tot onder doorklieft.

Tilburg heeft er met de concertzaal een monumentaal gebouw bijgekregen. Maar zoals in de meeste van zijn openbare gebouwen heeft Coenen ook hier met succes gestreefd naar een 'vriendelijke monumentaliteit'. Nergens is het gebouw afwerend of intimiderend, mede doordat het ook dient als toegangspoort tot de oude kloostertuin die Coenen in zijn plannen voor het centrum van Tilburg heeft behouden. Deze tuin met oude bomen is voor alle Tilburgers bereikbaar via een binnenplein dat op zichzelf een prachtige ruimte vormt, begrensd door de rechte golfplaten gevel van het conservatorium en de zwierige concertzaal en trappenhuis.

Het nieuwe onderkomen van de Dansacademie en het Conservatorium vormt een duidelijke eenheid met de concertzaal, doordat het grotendeels is bekleed met hetzelfde hout. Ook in dit gebouw, dat in de toekomst verder zal worden uitgebreid, heeft Coenen gestreefd naar afwisseling en doorzichtigheid. Aan de straatzijde wordt de monotonie van de lange houten gevel doorbroken door een terugspringend glazen trappenhuis op de plek waar een oude boom moest blijven staan. En aan de kloostertuinkant springen de dansstudio's met gebogen zinken dak uit het houten deel naar voren.

Binnen heeft Coenen, mede wegens de berucht lage budgetten voor scholenbouw, geen spectaculaire ruimtes kunnen creëren. Hier is de nieuwe academie een adequaat, functioneel gebouw, waarin alleen de opvallend lange gangen een flauwe echo vormen van de schitterende 'promenade architecturale' die Coenen de bezoekers van de concertzaal laat maken.