De volgende ondergang

Er is een periode geweest, toen de Koude Oorlog op zijn hevigst woedde, dat het Westen een zelfkritiek ontwikkelde die meer angst en gebrek aan zelfvertrouwen dan kritisch vermogen verraadde.

Wij aan deze kant van het front zouden ons overgeven aan genotzucht en kortzichtig individualisme, terwijl de totalitaire vijand - vastberaden, gelovend in het ideologisch doel, tot de laatste mens gemotiveerd - al bezig was ons onder de voet te lopen. Niet alleen de Morele Herbewapening riep in die tijd op om massaal te doen wat de naam van deze vereniging zegt. Ook dames en heren die paniekbestendiger leken, raakten van slag. Het had iets van een vroege roep tot boetedoening, zoals die aan het einde van een eeuw of blijkbaar ook van een millenium over de zondaren vaardig wordt. Het is allemaal met kracht van argumenten tegengesproken door Pieter Geyl in zijn afscheidscollege, 31 mei 1985. Zo lang geleden al.

In 1989 is het allemaal goed afgelopen. Een paar jaar heeft het Westen voortgeleefd in het vertrouwen dat er voorlopig niets ernstigs kon gebeuren, waarbij het steun vond in de visie van Francis Fukuyama die in zijn Einde van de geschiedenis uitlegt dat weliswaar de oorlogen niet voorbij zijn, maar de ideologische strijd definitief achter de rug is. De grondslag voor het boek, verschenen in 1992, is een lezing die hij in 1988 heeft gehouden en die daarna als essay, onder de inmiddels beroemde titel is gepubliceerd in The National Interest. Het boek zelf is veel omvattender en ingewikkelder. Er wordt ook veel te berde gebracht dat minder indruk heeft gemaakt dan zijn oorspronkelijke theorie. Niet zo belangrijk, want hij blijft erbij: de liberale ideologie van het Westen heeft de wereldworsteling gewonnen. Het eerste hoofdstuk bevat een bestrijding van een in het Westen wijdverbreid cultuurpessimisme; het laatste is een gedempt optimistische blik op een toekomst waarin rede, redelijkheid en een beschaafd materialisme op gevarieerde manieren waarschijnlijk de beste kansen zullen houden.

De toekomst, in de blik van visionairen, is vaak een voortzetting van het heden met een paar marginale variabelen. De toekomst van Fukuyama was die van 1992, vier jaar later als visie misschien nog niet achterhaald, maar zij riep in ieder geval dialectisch - wat in zijn theorie niet wordt voorzien - om een contravisie . Die wordt dezer dagen gegeven door Samuel Huntington, in zijn boek The Clash of Civilizations and the Remaking of the World Order (in deze krant vrijdag 22 november besproken door Juurd Eijsvoogel). Ook deze verhandeling is de uitwerking van een opstel, in dit geval gepubliceerd in het zomernummer van 1993 van Foreign Affairs. De titel van dit opstel eindigt nog met een vraagteken. Drie jaar later is de schrijver zo zeker van zijn zaak dat hij dit heeft geschrapt. De redenering van drie jaar geleden verschilt niet van die in zijn boek.

Huntington is pessimistisch. Ideologische blokken hebben opgehouden te bestaan, natie-staten verdwijnen, de wereld wordt kleiner en juist daardoor worden sluimerende eenheden zich weer bewust van hun culturele identiteit, de in grote trekken gedeelde beschaving die alles omvat wat een beschaving nu eenmaal eigen is. De Westerse beschaving is zo arrogant, dat degenen die daarvan deel uitmaken denken de universele beschaving te zijn. Maar daarover wordt buiten de Westerse sfeer heel anders gedacht. Onvermijdelijk is daarom een nieuw soort conflict.

We zien daarvan al de eerste bewijzen. De Golfoorlog is in wezen een strijd geweest tussen de Arabische wereld, de Islam, en het Westen. Het Joegoslavisch drama is niet een laat bewijs van achterhaald nationalisme, maar kan een voorbode zijn van wat ons te wachten staat: de strijd op leven en dood tussen volken die door hun verschillende etnische en godsdienstige identiteit kortweg niet binnen dezelfde staatkundige eenheid kunnen bestaan. Arthur Schlesingers essay The Disuniting of America is in feite de beschrijving van een zich verscherpend conflict tussen verschillende identiteiten. Het toenemend racisme in Europa is een afkeurenswaardige aanwijzing, niettemin een teken dat de 'smeltpot' onder de ideologische overkoepeling van het liberalisme niet werkt.

De schijver onderscheidt dan twee soorten van conflicten: die aan de grenzen, en de andere, tussen de blokken der beschavingen. De eerste soort, type Joegoslavische oorlog, gaat over 'culturele zuiverheid' op een beperkt grondgebied; de tweede over de invloed op de wereldpolitiek, internationale instellingen en derde partijen, cliënten. Daarbij kunnen niet-Westerse beschavingseenheden misschien met elkaar slaags raken, maar de kern van het vraagstuk blijft voor 'ons', in de formule van Kishora Muhbani: The West against the rest.

Dat is het voordeel van Huntingtons doorwrochte verhandeling: hoe overstelpend ook de feiten die hij aanvoert, en hoe vaardig zijn behandeling van het bewijsmateriaal, het wezen valt terug te brengen tot een soundbite. Het boek is meer propaganda voor een visie dan een historisch betoog. Daarom valt het eerder onder het genre van de scenario's dat sinds het einde van de Koude Oorlog wat in de versukkeling geraakt leek te zijn.

Zoals Het einde van de geschiedenis een projectie is van het optimisme, zoniet het triomfalisme dat na 1989 over het Westen vaardig was geworden, zo zijn de ervaringen van de afgelopen vier jaar niet vreemd aan The Clash of Civilizations. De ontwikkelingen in de voormalige Sovjet-Unie zijn in hoge mate behandeld alsof die het Westen niet meer aangingen. De Golfoorlog is niet tot het bedoelde einde gebracht. Het Joegoslavisch conflict heeft het Westen onbecijferbaar veel meer schade toegebracht dan de omvang van het slagveld en de macht van de strijdende partijen zouden doen verwachten.

Nadat de liberale ideologie het pleit had gewonnen heeft ze in ieder geval de schijn gewekt en het begin van bewijs geleverd dat ze met de overwinning niet goed raad wist, of niet de wil had, haar inzichten in een globale politiek om te zetten. Als Huntington alleen een pessimist zou zijn had hij er reden voor. Maar hij is meer: een doemdenker van de Westerse cultuur. Merkwaardig: Fukuyama geeft een citaat uit een boek van hem, Political Order in Changing Societies, geschreven in 1968, waarin hij laat merken, overtuigd te zijn van het rotstvaste geloof waarmee de Sovjet-volken zich achter hun leiders scharen. Dat was toen al een grote vergissing.