Cézanne in Boijmans wellicht naar buitenland

ROTTERDAM, 27 NOV. Een van de vier schilderijen van Paul Cézanne (1839-1906) die Nederland rijk is, dreigt naar het buitenland te verdwijnen. Het gaat om het Landschap bij Aix met de 'Tour de César'', geschilderd rond 1894, dat bijna vijftien jaar in bruikleen is geweest van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. De eigenaresse, mevrouw A.K.H. Boerlage-Koenigs, dochter van bekende verzamelaar Franz Koenigs (1881-1941), haalde het eind vorig jaar volstrekt onverwachts bij het museum op en bracht het onder in een depot.

Het landschap van Cézanne staat genoteerd op de Lijst die hoort bij de Wet tot behoud van cultuurbezit. Daarop staan 1.317 voorwerpen, van sculpturen en kunstnijverheid tot boeken en doeken die - 'uniek en onvervangbaar' - om hun nationaal cultureel belang het land niet mogen verlaten. In totaal komen er 123 schilderijen op voor.

De waardeschattingen van de Cézanne lopen uiteen van vier tot twaalf miljoen gulden. Aangezien mevrouw Boerlage-Koenigs het wil verkopen, heeft de Nederlandse staat de wettelijke verplichting over het aankoopbedrag te onderhandelen met de eigenaar. De termijn van drie maanden die daarvoor staat, is inmiddels verstreken, maar “de partijen zijn druk aan het onderhandelen en op vrij korte termijn zal de uitkomst bekend zijn”, aldus een woordvoerster van het ministerie van OCW.

Museum Boijmans heeft vorig jaar geen ruchtbaarheid willen geven aan de verdwijning van de Cézanne, temeer omdat de eigenaresse anoniem wenste te blijven. “Ik mis het doek zeer”, zegt Piet de Jonge, hoofd-conservator moderne kunst; “het hoort hier, in dit museum, te zijn. Als onze enige Cézanne sloot het schilderij prachtig aan op de 23 tekeningen en aquarellen van Cézanne uit de Koenigs-collectie, die we nog wèl bezitten. Cézanne is de vader van de moderne kunst en daarom fungeert dit werk ook als sleutel naar zoveel andere werken”, aldus De Jonge.

Eventuele aankoop door Boijmans zelf is uitgesloten. “Het gaat om miljoenen, en zo'n bedrag is voor dit museum niet haalbaar”, meent De Jonge.

“Al het geld dat we kunnen vergaren wordt gereserveerd voor de nieuwbouw.” Vroeger sprongen de Rotterdamse havenbaronnen in dergelijke gevallen bij. “Die privé-personen van weleer hebben plaatsgemaakt voor vennootschappen die bij een schenking ter verantwoording worden geroepen door hun aandeelhouders.”

Het doek in kwestie meet 73 bij 92 centimeter en is niet gesigneerd. Het laat op de voorgrond enkele bomen en bosschages zien die zich tegen de contour van een flauwe heuvelrug aftekenen. In de verte rijst als een smal streepje de middeleeuwse wachttoren Tour de César op. Zowel land als lucht zijn zonder veel details geschilderd. Cézanne zette eerder schetsmatig de ruige aarde van de Provence neer, in streepjesvlakken van oranje, oker en groene en blauw-witte vlakken.

Dat schetsmatige en transparante karakter versterkte hij door sterk verdunde olieverf te gebruiken. Aan dezelfde streek rondom Aix-en-Provence zou Cézanne ook alle motieven voor zijn latere werk ontlenen.

Ook in 1987 trok een lid van de familie Koenigs een langdurige bruikleen onverwachts terug uit Boijmans; een fel gekleurd schilderij van Lautrec, dat korte tijd later werd aangekocht door het Museum of Modern Art in New York. En in oktober 1993 moest het Stedelijk Museum in Amsterdam afstand doen van een doek van Edouard Manet, Schets voor de Bar aux Folies Bergère.

Na een bruikleenperiode van 55 jaar kwam F.F.R. Koenigs het enkele uren na een telefonische melding ophalen. Het ging in juni 1994 voor circa 12,3 miljoen gulden op een Londense veiling van Sotheby's naar een nieuwe, anonieme eigenaar. F.F.R. Koenigs is de zoon van F.W. Koenigs, destijds eigenaar van de tekeningencollectie die tijdens de Tweede Wereldoorlog gedeeltelijk door D.G. van Beuningen aan de Duitsers werd verkocht en die later door de Russen werd meegenomen.

Zo'n driehonderd bladen bevinden zich nog in het Poesjkin Museum in Moskou.

Overigens zouden Nederlandse musea nu niet over vier, maar over 34 Cézannes kunnen beschikken als in 1921 de collectie van Cornelis Hoogendijk (1866-1911) niet via de Parijse handelaar naar het buitenland was vertrokken. Albert C. Barnes (1872-1951), de chemicus en handelsman uit Philadelphia, wiens schilderijencollectie in 1993 langs Europese musea reisde, zou uit diezelfde verzameling dertien Cézannes aanschaffen.

Hoewel de erven van Hoogendijk in 1912 het Rijksmuseum 53 andere schilderijen schonken en zij de doeken van Cézanne daar in bruikleen afstonden, kwamen staat en/of musea financieel niet over de boeg.

Pas begin jaren vijftig wist de Vereeniging van Hedendaagse Kunst voor respectievelijk 80.000 en 60.000 gulden uit de Hoogendijk-verzameling alsnog twee Cézannes te verwerven: La Montagne Sainte-Victoire, ca. 1888, en Stilleven, 1890-1894. Beide droeg de Vereeniging in de jaren vijftig over aan het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Verder kan alleen nog Rijksmuseum Kröller-Müller in Otterloo bogen op een doek van Cézanne; De weg langs het meer, 1885-1890, in 1941 verworven uit de verzameling van André Bonger.

De verdwenen Boijmans-bruikleen is wat de datering betreft het laatste doek van Cézanne dat zich in Nederland bevindt. Boijmans liet het kort voor de verdwijning schoonmaken en achter glas plaatsen.

    • Marianne Vermeijden