Behoud van het milieu vergt een andere economische groei

Het milieudebat wordt te veel verengd tot de tegenstelling wel of geen economische groei, meent H.M. de Lange. Het gaat echter niet om krimpen, maar om anders besteden. De samenleving heeft behoefte aan kwaliteit. Dat is geen versobering, maar een verrijking.

Geleidelijk aan ontstaat in ons land overeenstemming over de noodzaak van een nieuwe doelstelling in de economische politiek. Het gaat dan om duurzame ontwikkeling: economische groei hand in hand met een houdbare infrastructuur en milieu-omgeving. Zowel over de inhoud van het begrip duurzaam, als over de te gebruiken instrumenten vindt al enige tijd de nodige discussie plaats. De kans dat overeenstemming wordt bereikt is wel degelijk aanwezig, maar dan moet geen verwarring ontstaan over begripsdefinities.

Dat die verwarring nog steeds mogelijk is, bewijst ondermeer het interview met minister De Boer (zaterdags bijvoegsel NRC Handelsblad van 2 november j.l.). Hierin deelt zij mee dat ze meer en meer geïnspireerd is geraakt door J. Pen, B. Goudzwaard en ondergetekende. Maar De Boer heeft de indruk dat zij pleiten voor een krimpeconomie, hetgeen voor haar niet nastrevenswaardig is. De Boer bepleit juist voor een goed lopende economie met een goed milieubeleid. Die economie kenmerkt zich door economische groei, anders is er stilstand en dat is achteruitgang, aldus de minister.

Collega Goudzwaard en ik spreken ons echter niet uit voor een krimpeconomie. De zaak waarvoor wij staan heet in de wandeling een 'Economie van het Genoeg'. In ons boek Genoeg van teveel/genoeg van te weinig verwerpen wij de wat platte discussie 'groei of geen groei'. Wij richten ons op de vraag wat voor soort groei we nodig hebben, ten behoeve van wie en ten koste van wat? Er komt een moment dat een mens, in zijn gang van geboorte naar volwassenheid, fysiek is uitgegroeid. Maar dat betekent niet dat hij zich kwalitatief niet verder ontwikkelt. Niemand zal toch beweren dat vanaf dat moment de krimp intreedt?

Onze vraag naar de soort van groei komt voort uit een gerede twijfel of, op een wat langere termijn gezien, de consumptieverlangens van de wereldbevolking bevredigd kunnen worden zonder het milieu duurzame schade toe te brengen. Laten we datgene wat we al wel weten op een rijtje zetten. Voor het voorzien in de (basis) behoeften van de 1,3 miljard armen en zeer armen in de wereld is een forse uitbreiding van de produktie noodzakelijk. Degenen die in de ontwikkelingslanden thans reeds behoren tot de middengroepen en de rijken, zullen - overeenkomstig de patronen van de bevolking in de geïndustrialiseerde landen - hun consumptie verder willen uitbreiden. Vanuit het perspectief dat de wereldbevolking omstreeks de jaren 2040-2050 zal zijn verdubbeld, is weinig fantasie nodig om te realiseren dat de hiermee gepaarde produktie- en consumptiegroei en de uitputting en vervuiling van de aarde, ernstige bedreigingen vormen voor het leven van mensen, dieren en planten. Een bedreiging dus voor de grondslag van het gehele bestaan.

Het lijkt derhalve verstandig dat de inwoners van de geïndustrialiseerde landen zich bezinnen op de vraag of niet een bovengrens aan de inkomens en de consumptie moet worden gesteld; geen grens dus aan de economische groei zelf. Moeten we de extra middelen als gevolg van verdere economische groei, niet stoppen in een verbetering van milieu, infrastructuur en andere openbare voorzieningen?

Verdere toename van de produktie in de ontwikkelingslanden is noodzakelijk, hoewel we weten dat daardoor schade zal worden berokkend aan natuur en milieu. Maar de eis om de armoede terug te dringen is hard en onverbiddelijk. Verdere toename van de produktie in de geïndustrialiseerde landen ligt echter minder voor de hand. Hier moet de schade aan milieu en natuur worden afgewogen tegen de baten van het 'meer dan het nodige'. De discussie over dit 'nodige' dient zich dan te richten op de behoeftenvoorziening van de 'arme kant van Nederland' en niet aan de veelal opgeschroefde wensen en verlangens van de rijken en zeer rijken. Het kabinetsstandpunt dat mevrouw De Boer vertolkt is: duurzame omwikkeling kan worden bereikt met gelijktijdig economische groei, versterking van de concurrentiekracht, toename van de werkgelegenheid, beter beheer van ruimte, natuur en biodiversiteit, en absolute daling van milieubelastende emissies. Over de verwezenlijking hiervan is echter gerede twijfel mogelijk. Met name ten aanzien van milieu ziet het er niet naar uit dat de doeleinden worden gehaald. We gaan onze materiële verlangens hoger stellen, maar tegelijkertijd vraagt de milieusituatie om strengere normen.

Over dit laatste zijn afspraken gemaakt op de VN-conferentie over milieu- en ontwikkeling (UNCED) die in 1992 plaatshad in Rio de Janeiro. Er werd een zeer omvangrijk programma opgesteld dat is samengevat in het actieprogramma Agenda 21. Op sommige punten zijn vorderingen gemaakt, op andere punten nauwelijks. De balans wordt volgend jaar opgemaakt op een speciale zitting van de Algemene Vergadering van de VN. Dan zal duidelijk worden dat de toezegging van de rijke landen om hun consumptiepatronen kritisch te bezien en te wijzigen, niet is gerealiseerd.

Ik pleit ervoor Agenda 21 serieus te nemen, in het bijzonder door adequate politieke stappen te nemen in de richting van stabilisatie van de totale consumptie. Laten we alles uit de kast halen om zowel de armoede in de wereld zo snel mogelijk terug te dringen als ook om verdere milieudegradatie te voorkomen - ook met behulp van technologie, maar dan echt nieuwe technologie en niet alleen maar voortzetting van het oude.

Er liggen dan enkele maatregelen voor de hand. Allereerst is dat een vermindering van het totale energieverbruik door middel van prijsverhogingen. Thans is het zo dat de belangrijkste vermindering van het energieverbruik in de produktiesector als sneeuw voor de zon verdwijnt door de krachtige volume-uitbreiding in de consumptiesector. Ik schaar mij in de rijen van diegenen die zeggen: prijzen moeten de waarheid zeggen. Dit geldt ook voor het heden, want het is onbillijk om volgende generaties te laten opdraaien voor het feit dat de huidige generatie geen maat weet te houden. Prijsverhogende maatregelen dienen niet te worden gecompenseerd in de inkomens. Daarvoor bestaat een breed draagvlak onder de bevolking.

Inkomensmatiging (en niet alleen loonmatiging) is niet alleen goed voor het milieu, maar schept tevens ruimte voor een kwaliteitsverbetering van de samenleving. Iedereen is er voor dat gehandicapten een gedegen verzorging krijgen, dat kinderen goed onderwijs kunnen volgen, dat wordt geïnvesteerd in mensen, dat anderen niet verkommeren, dat er betere en meer arbeidsplaatsen komen en dat de openbaar vervoersvoorzieningen worden verbeterd en uitgebreid.

Het hiervoor benodigde geld - voortkomend uit de produktiviteitsverbeteringen - is voor handen. De besteding in bovengenoemde richting is ook welvaartsgroei en in vele opzichten van een hogere orde dan tal van particuliere bestedingen.

Dit alles behoort tot het gedachtengoed van een 'Economie van het Genoeg'. Het zal duidelijk zijn dat dit iets geheel anders is dan stilstand en dus achteruitgang. Het impliceert wel een koersverlegging in de samenleving naar kwaliteit. Het betekent ophouden te denken dat we gelukkiger worden als we maar méér hebben. Het is geen krimpen: immers niet méér willen aan consumptie en inkomens, is iets anders dan krimpen. Het is ook geen teruggang, het is geen versobering. In de grond van de zaak worden we rijker.