Artsen vrezen rompslomp; Duidelijkere criteria bepleit bij euthanasie

DEN HAAG, 27 NOV. Het openbaar ministerie moet artsen meer duidelijkheid verschaffen over de criteria op grond waarvan euthanasie en hulp bij zelfdoding worden vervolgd. Ook moeten medici meer worden betrokken bij de controle op levensbeëindigend handelen.

Dit stellen de onderzoekers prof. dr. P.J. van der Maas en prof. dr. G. van der Wal in het vandaag gepubliceerde evaluatieonderzoek van de meldingsprocedure euthanasie dat is uitgevoerd in opdracht van de ministers Borst (Volksgezondheid) en Sorgdrager (Justitie).

Uit het onderzoek blijkt dat 41 procent van de gevallen van euthanasie en hulp bij zelfdoding worden gemeld. In 1990 was dat 18 procent. Ruim de helft van de artsen zegt het niet te melden om zich de rompslomp van een justitieel onderzoek te besparen. Een derde van de artsen wil dat de nabestaanden besparen, is bang voor vervolging of veroordeling of meent niet aan de zorgvuldigheidseisen te hebben voldaan. Eén op de acht artsen zegt euthanasie of hulp bij zelfdoding nooit te zullen melden omdat dit een zaak is tussen arts en patiënt. Levensbeëindigend handelen zonder uitdrukkelijk verzoek wordt vrijwel nooit gemeld.

Volgens het onderzoek moet artsen duidelijk worden gemaakt dat zij slechts een kans van één op vijfhonderd lopen om bij euthanasie in juridische problemen te raken. Van de 6.324 in de periode 1991-1995 gemelde gevallen zijn er 120 besproken in de vergadering van procureurs-generaal. Tegen 22 artsen werd een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld dat op een sepot uitliep. Dertien artsen werden gedagvaard. Vergeleken met de periode 1981-1990 is het percentage vervolgingen “aanzienlijk gedaald”.

De onderzoekers vinden dat artsen de garantie moeten krijgen dat zij binnen een bepaalde periode uitslag krijgen van de beoordelingsprocedure door het openbaar ministerie. Nu duurt dat gemiddeld bijna 3,5 maand, maar er zijn grote verschillen. De beoordeling van “standaardgevallen” zou volgens de onderzoekers op arrondissementsniveau moeten plaatvinden. Alleen grensverleggende gevallen zouden nog aan de vergadering van procureurs-generaal moeten worden voorgelegd.

Ter bevordering van het zorgvuldig medisch handelen is volgens het onderzoek een meer professionele consultatie vooraf noodzakelijk. De onderzoekers denken hierbij aan een consulent met specifieke deskundigheid over palliatieve zorg. Ook pleit het rapport voor het instellen van niet-strafrechtelijke commissies die achteraf het medisch handelen toetsen. Die moeten voor artsen een corrigerend en educatief karakter krijgen.

Het aantal gevallen van euthanasie is gestegen van 2.300 in 1990 tot 3.200 in 1995. Het aantal gevallen van hulp bij zelfdoding bleef met vierhonderd gelijk. Het aantal verzoeken om euthanasie 'te zijner tijd' steeg met 12 procent en bedroeg vorig jaar 34.500. Het aantal ingewilligde verzoeken om euthanasie steeg van 30 procent naar 37 procent. De onderzoekers schatten dat voorafgaand aan ruim 42 procent van alle sterfgevallen een medische beslissing rond het levenseinde is genomen.

Opzettelijke levensbeëindiging bij pasgeborenen of zuigelingen wordt vrijwel nooit gemeld als niet-natuurlijke dood. In 57 procent van alle sterfgevallen onder nuljarigen wordt besloten een levensverlengende behandeling niet in te stellen of te staken. Hulp bij zelfdoding wordt door psychiaters in 2 tot 5 gevallen per jaar verleend. Het aantal uitdrukkelijke en herhaalde verzoeken daartoe bedraagt ongeveer 320 per jaar.