Verdronken Urkers al eerder in nood

Drie jongens uit Urk voeren vrijdagavond het Tjeukemeer op om vis te stropen. Ze keerden niet terug. Een voormalig Zuiderzee-eiland in het teken van de zoektocht naar drie verloren zonen.

URK, 26 NOV. “Die jongens kenden de gevaren, ze wisten dat ze niet moesten gaan”, zegt Jan van de Berg, terwijl hij met twee grote triplexplaten door de uitgestorven straten van het vissersplaatsje sjouwt. “Zeker niet in zo'n klein bootje. De oudste van de drie was mijn buurjongen, hij was nog nooit op zee geweest.”

De twee jongsten waren enkele maanden geleden ook al eens in de problemen gekomen, schrijft het nieuwsblad Het Urkerland. Op een koude avond werden zij aan de rand van het IJsselmeer overvallen door de duisternis. De jongste (15) ging aan wal om hulp in te roepen, terwijl de ander, zijn zestienjarige achterneef, besloot om alleen op Urk aan te varen. Halverwege kreeg hij motorpech waardoor hij steeds verder afdreef. De reddingsbrigade moest hem met een helikopter van het water halen, waarna hij in onderkoelde toestand werd opgenomen in het ziekenhuis in Den Helder.

Van de Berg is zelf geen man van de zee. “Er ligt geen toekomst op het water”, zegt hij. “Door de quota zit er geen brood meer in de visserij en bovendien zijn de risico's te groot. Urk weet dat, maar Urk doet wat ze wil, want de zee blijft trekken.” Van de Berg stopte als een van de weinige Urkerzonen met de visserijschool en werd schilder. Als hij begint te vertellen, schudt hij eerst enkele malen zijn hoofd in een mengeling van ongeloof en onbegrip. Hij zoekt naar woorden, maar schudt uiteindelijk zijn hoofd nog maar eens.

Sinds zaterdagmorgen draait Urk om de zoektocht naar drie verloren zonen. Vrijdagavond voer het drietal het Tjeukemeer op om enkele netten met snoekbaars binnen te halen. Toen zij zaterdag niet terugkwamen, sloegen hun ouders alarm. Diezelfde morgen nog trokken tientallen Urkers met een boot richting de vermoedelijke plaats van het ongeval, maar de politie hield de hulp af. Gistermorgen werden de Urker vissers alsnog ingeschakeld. Tegen twaalven vonden zij het lijk van de jongste (15) van het drietal, een uur later dat van zijn één jaar oudere vriend en familielid. Vanmorgen rond tienen werd ook het lichaam van de oudste (19) geborgen.

Gisteravond, kort na zessen. In de kleine haven klotst het water vriendelijk tegen de aangemeerde schepen, het naastgelegen café-restaurant De Kaap houdt zijn deuren gesloten. De klanten in cafetaria De Kombuis hebben eenzelfde gelatenheid over zich als Jan van de Berg. Zwijgend prikken zij hun snacks weg, slechts af en toe maakt iemand een opmerking.

“U bent niet van hier, toch?” Het is eerder een constatering dan een vraag. De vrouw vervolgt: “De klap komt zo hard aan, omdat we één grote familie zijn. Als van de week de rouwdienst wordt gehouden, dan is zelfs de grootste kerk van Urk te klein. Rouwen doen we hier met zijn allen. We zijn eraan gewend.”

De krantenjongen bezorgt Het Urkerland, dat zijn gehele voorpagina wijdt aan de gebeurtenis. Personeel en klanten spellen gezamenlijk de berichten, maar het nieuws is al lang geen nieuws meer want iedere Urker heeft de ontwikkelingen op de voet gevolgd.

Het doel van de jongens - het stropen van snoekbaars - meldt Het Urkerland in een bijzin. Volgens Van de Berg vist met name een aantal werklozen en jonge jongens op snoekbaars. De vis brengt in de herfst toch gauw zo'n drie tot vijf gulden per pond op, soms zelfs zeven. De jongens slijten de vis bij de afslag, aan een bevriende visser of rechtstreeks aan een restaurant.

“Het valt wel mee met dat stropen”, weet de vrouw in De Kombuis. “Er zijn inderdaad wat jongens die het doen, maar ze gaan zeker niet allemaal achter de snoekbaars aan. De opbrengst weegt niet op tegen de tijd en de kosten. Natuurlijk, op een succesvolle nacht verdienen die knullen een paar duizend gulden, maar de risico's zijn zo groot, zo groot.”

Ondanks hun eerdere ervaring op het IJsselmeer zette de zestienjarige Urker vorige week zijn netten uit. En besloot hij vrijdagavond om zijn vangst binnen te halen. Gedreven door een combinatie van alcohol en overmoed, weten de klanten van De Kombuis. “Ze zijn zo uit het café het water op gegaan”, vertelt een taxichauffeur. “De oudste jongen heeft geprobeerd om de anderen over te halen om tot zaterdag te wachten. Hij zei nog tegen de jongste: je krijgt honderd gulden als je hier blijft. Maar ze zijn toch gegaan, rechtstreeks de boot in. Toen ik zondag naar de kerk ging, stonden hun brommertjes nog voor de kroeg.”