Prodi treedt niet af wegens proces

ROME, 26 NOV. De Italiaanse premier Romano Prodi ziet geen aanleiding om af te treden wegens het proces dat de Romeinse justitie tegen hem wil beginnen op verdenking van machtsmisbruik en vermenging van functies.

Ook oppositieleider Silvio Berlusconi maakte duidelijk dat hij daar vooralsnog ook niet op zal aandringen. “Het spijt mij en ik wens de premier oprecht toe dat hij niet zo'n persoonlijke lijdensweg hoeft te lopen als ik heb gedaan en doe,” zei hij. Dat was een verwijzing naar de corruptiezaken die tegen hem lopen.

Twee jaar geleden kreeg Berlusconi als premier een avviso di garanzia, een bericht dat een formeel justitieel onderzoek begint, toen hij een belangrijke internationale misdaadconferentie voorzat. Ook voor Prodi kwam het bericht over het proces op een gevoelig moment, op de dag dat hij de herintrede van de lire in het Europese muntstelsel had willen vieren. “Ik blijf vertrouwen in de justitie hebben,” zei Prodi gisteren. “Mijn persoonlijke oprechtheid is niet in het spel.” Volgens de Romeinse officier van justitie Giuseppe Geremia is dat wel het geval.

Prodi wordt niet beschuldigd van corruptie, maar van misbruik van de functie die hij in 1993 vervulde, het presidentschap van de machtige staatsholding IRI . Hij heeft een voedingsbedrijf dat geprivatiseerd werd, toegespeeld aan politieke vrienden die eigenlijk niet het geld hadden om het te kopen. Bovendien zou Prodi zich aan belangenverstrengeling hebben schuldig gemaakt omdat hij, behalve verkoper van het bedrijf, ook consulent was van Unilever, dat uiteindelijk een deel van het bedrijf heeft gekocht. Prodi heeft gezegd dat hij zijn consulentschap bij Unilever had neergelegd toen hij in 1993 opnieuw president van de IRI werd, een functie die hij ook een groot deel van de jaren tachtig heeft vervuld.

Een speciale rechter moet besluiten of het dossier tegen Prodi belastend genoeg is voor een proces. Het justitiële onderzoek betreft de verkoop van de Cirio-Bertoli-De Rica groep, onderdeel van de IRI-dochter SME. Ook binnen het toenmalige kabinet en parlement waren twijfels gerezen over de manier waarop Prodi deze zaak aanpakte, maar critici werd de mond gesnoerd met een verwijzing naar de jaren tachtig, toen de toenmalige premier Bettino Craxi om politieke redenen verkoop van de SME tegenhield. De groep, die voornamelijk in Zuid-Italië produceert, werd tegen alle verwachtingen in toegespeeld aan een kleine boerencoöperatie, de Fisvi. Deze maakte deel uit van het christen-democratische machtsblok. Een staatsbank uit datzelfde blok, de Banco Di Napoli, had zich aanvankelijk garant gesteld. De Fisvi bleek toch betalingsproblemen te hebben en verkocht de groep weer door. Bertoli (olijfolie) ging naar Unilever, de rest kwam bij de financier Sergio Cragnotti. Volgens de justitie heeft de Fisvi bij deze operatie een oneigenlijk voordeel gehad van veertien miljard lire, ongeveer 16 miljoen gulden.

Deze affaire is bij de justitie aanhangig gemaakt door een kleine aandeelhouder van de IRI. Prodi heeft eerder gesuggereerd dat de kritiek op deze transactie is aangewakkerd door tegenstanders van privatisering, onder wie leden van de Nationale Alliantie, de voormalige neofascisten.

    • Marc Leijendekker