Positieve actie jegens allochtonen blijft gerechtvaardigd

Een voorkeursbeleid of positieve actie ten behoeve van allochtonen is nog steeds nodig en gerechtvaardigd als een 'noodzakelijk kwaad' om de macht der gewoonte van de witte dominante cultuur en stereotype, ongrijpbare vooroordelen en misverstanden te doorbreken.

Het gaat er niet om dat mensen aangenomen worden omdat ze allochtoon zijn. Integendeel, door deze maatregel moet bestreden worden, dat mensen bij gelijke kwalificaties niet aangenomen worden juist omdat ze allochtoon zijn.

Positieve actie was tot nu toe een 'nep-beleid' zoals in het sprookje van des keizers kleren, dat als politiek antwoord op het werkloosheidsprobleem van allochtonen alleen op papier goed uitkomt. Het is aantrekkelijk te doen geloven alsof allochtonen voor banen voorgetrokken worden, terwijl feitelijk toch nog autochtonen aangenomen worden. Deze situatie is sociaal, maatschappelijk ineffectief en uiteraard ten onrechte contra-productief. Zo worden de allochtonen inzet van een 'politiek ping-pong spel', wat volstrekt onwenselijk is binnen de 'ethische bewogenheid'.

Dat binnen een algemeen achterstandsbeleid de allochtonen en kansarme autochtonen een en dezelfde behandeling zullen krijgen (NRC Handelsblad 23 oktober, 'De ene allochtoon is de andere niet'), lijkt op appels met peren vergelijken. Als wij de specifieke positie waarmee de allochtonen vaak te kampen hebben, vergeten en doen alsof alles vanzelf goed komt door een kleurloos beleid, dan wordt het een 'eenheidsworst' die niet door iedereen te verteren zal zijn. En de beleidsmakers hebben dan voor de zoveelste keer verzaakt, namelijk met de kop in het zand en doen alsof men van niets weet.

Natuurlijk is er óók onder laagopgeleide autochtonen ongenoegen én armoede. Dat is voor ons allen een maatschappelijk zorgpunt, maar kwalitatief van een andere orde. Daarom pleit ik voor een 'gespecificeerd achterstandsbeleid' en niet voor een algemeen.

Het werkloosheidspercentage van allochtonen, waaronder ook de hoogopgeleiden, is nog steeds drie tot vier maal hoger dan dat van autochtonen. Zij worden achtergesteld en ondanks hun bemoeienissen buiten de deur gehouden. Wat mij betreft is het motto dan 'wie achterstaat, mag voorgaan'. Niet het gebrek aan onderwijs of opleiding wordt bij een positief actiebeleid opgeheven, maar de bestaande machtsverschillen in de samenleving dienen er door verkleind te worden. En de dominante monoculturele normen en waarden dienen te worden veranderd.

Daarvoor zijn cultuurdoorbrekende maatregelen nodig. Als wij een botsing van culturen en rassenrellen, zoals in de USA is gebeurd, dus de 'brutalisering der maatschappij' in Nederland willen voorkomen, dan moeten wij koers zetten naar een samenleving waarin verschillende normen en waarden met elkaar gedeeld worden. Dat is een manier die boven de landscultuur uitstijgt. Dat is de transculturele diversiteit. Diversiteit is kwaliteit en vernieuwing, als wij ervoor openstaan. Diversiteit ontstaat door verschillen en is de energiebron voor de transculturele denkwijze. Mensen met 'meer dan alleen de Nederlandse achtergrond', dus transculturele mensen, zijn vaak uitstekende werknemers, die flexibel, open en communicatief zijn en bruggen kunnen slaan. Er moet meer gevoeligheid komen voor de maatschappelijke betekenis van 'gezamenlijke signalen'.

Jack Burgers doet het in zijn eerder genoemde artikel voorkomen alsof een maatschappelijk proces voltooid is omdat er sprake is van 'een zekere middenklassevorming' onder minderheden. Het tegendeel is waar. Nederland staat aan het begin van een ontwikkelingsproces van een multi-etnische naar een transculturele samenleving. Dit proces omvat onder meer bewustwording van de aanwezigheid van verschillen wat kan leiden tot een 'symbiotische synthese' binnen een 'transculturele samenleving'. Zoals geen ander land begrijpt Nederland de zuilenmaatschappij. Wij zijn nu in een fase beland waarin door 'transculturalisering' een nieuwe zuil ontstaat en minderheden hun eigen emancipatie beleven.

Om de vooroordelen uit de wereld te helpen moeten we het minderhedenbeleid niet afschaffen maar juist verfijnen, zodat eindelijk een 'transcultureel wij-gevoel' kan ontstaan, waarin geen plaats voor haat en nijd is omdat mensen een andere achtergrond of uiterlijk hebben. In een brede, pluriforme samenleving zouden we ons over elkaars successen moeten verheugen en ons tevens over tekorten als criminaliteit moeten buigen. De maatschappij kan beter worden dan ze nu is, als we dat echt willen. En daarbij kunnen overheden de voorwaarden scheppen. De rest komt uit de energie van de groep. Zo'n groep krijgt pas dan aanzien als ze een economische factor van betekenis wordt.

Zonder het vruchtbare klimaat dat ontstaat door 'neutraliseringsbeleid' kunnen de allochtonen zich nog zoveel Nederlander voelen, maar als de buitenwacht ze tot buitenlander bestempelt, dan missen velen een veilige omgeving en ontwikkelen niet of met moeite een eigen zelfbewustzijn. Daar helpt de individualiseringstheorie ook niet, die door de voorstanders van het algemeen achterstandsbeleid aangehangen wordt.

De successsen liggen niet daar waar enkelen zich persoonlijk omhooggeknokt hebben. Dat heeft niets met positief actiebeleid te maken. Het karwei is nog niet geklaard. Neem het onderwijs: dat dient een pluriforme samenleving te bevorderen, maar is zelf niet divers. Kinderen leren alleen over de Nederlandse geschiedenis en kunnen hun Turkse, Marokkaanse, Antilliaanse wortels niet terugvinden. Als we eindelijk willen beginnen de oorzaken te bestrijden en niet in symtoombestrijding blijven steken,moeten we gebruik maken van de kracht der 'allochtonen-elite' en die koesteren om vernieuwende ideeën optimaal te benutten. Dit zal een olievlekeffect krijgen in buurlanden, zoals Duitsland, dat vaak met enige afstand Nederland volgt. Nederland kan ook hier aan de rest van Europa een voorbeeld geven.