Plan vrije elektriciteitsmarkt stuit op weerstand

In het nieuwe, marktgerichte stelsel voor de elektriciteitsvoorziening wordt kostenreductie een zaak van lijfsbehoud voor producenten en distributeurs. De Nederlandse stroomtarieven behoren nu tot de laagste in West-Europa. Maar volgens de energiebedrijven in Zuid-Nederland zullen de tarieven in die regio fors stijgen als het plan van minister Wijers voor een fusie van de vier Nederlandse produktiebedrijven doorgaat. Wijers zelf meent dat de fusie juist 500 à 600 miljoen gulden per jaar aan kostenbesparing kan opleveren. Adviesbureau McKinsey denkt dat de kosten van de hele 'bedrijfsketen' met 20 procent omlaag kunnen, zo'n 2 miljard gulden per jaar. Daar staat tegenover dat de energiebedrijven over een jaar hun vrijstelling van winstbelasting verliezen.

ROTTERDAM, 26 NOV. Minister Wijers krijgt een dezer dagen een advies van twee gerenommeerde raadgevers die op het ministerie de bijnaam de transformatoren hebben gekregen. Het duo mr. Harry Langman, oud-minister van Economische Zaken, en dr. Johan ('Sjeng') Kremers, oud-commissaris der Koningin in Limburg, rapporteert over een gevoelige kwestie: hoe kan de elektriciteitssector het beste in een vrije markt functioneren? Aan de orde zijn daarbij onder meer een reorganisatie van de stroomproduktie en de relatie tussen produktie en distributie.

Over het concept-advies van het duo Langman-Kremers, dat vorige week was toegezonden aan alle betrokken partijen, is groot tumult ontstaan bij de distributiebedrijven. Die vinden dat de concurrentie aan de produktiekant nodeloos wordt beperkt door de sterke positie die de 'transformatoren' willen toekennen aan een Grootschalig Produktiebedrijf (GPB) dat volgens minister Wijers moet ontstaan door een fusie van de vier bestaande grote stroomproducenten: EPZ in het Zuiden, UNA (Utrecht en Amsterdam), EPON in het Noorden en EZH in Zuid-Holland.

De distrubutiebedrijven zijn fel tegen een voorstel van de transformatoren voor een verplichting om de eerste vier jaar alleen maar elektriciteit van dat GPB in te kopen. Op die manier wordt het GPB een veel te dominante partij, vinden de distributeurs. Daardoor zouden ook veel van hun initiatieven om kleine, milieuvriendelijke warmte/krachtcentrales te bouwen, om zeep worden geholpen. Bovendien menen de distributeurs dat in het concept-advies te grote nadruk ligt op een sterke vermogenspositie voor het landelijke produktiebedrijf. “Dat zal het GPB niet stimuleren om de efficëncy snel op te voeren”, zegt een insider.

In de Derde Energienota die minister Wijers eind vorig jaar presenteerde, deed hij voorstellen om aan te sluiten bij het streven van de Europese Unie naar een vrije energiemarkt. De minister kondigde aan hierbij samen met Groot-Brittannië en Zweden voorop te willen lopen. Voor elektriciteitsverbruikers betekent dit toenemende vrijheid om zelf een leverancier te kiezen en exploitanten van transportnetten - tegen betaling - opdracht te geven die stroom aan fabriekspoort of voordeur af te leveren. De traditionele nutsbedrijven, producenten èn distributeurs, moeten daartoe een metamorfose ondergaan.

De produktiesector wordt nu nog gekenmerkt door vier regionale, openbare bedrijven en een veelheid van decentrale, kleine stroom- en warmtefabriekjes die veelal in handen van particuliere ondernemers zijn of samen met een distributiebedrijf worden geëxploiteerd. Wijers wil zo snel mogelijk de produktie en import van elektriciteit vrijgeven, zodat er meer concurrentie ontstaat. Nieuwe partijen op de markt zullen zich via contracten verzekeren van voldoende afname. De vraag moet bepalend zijn voor de produktie, zodat een eind wordt gemaakt aan de overcapaciteit in Nederland. Om op basis van de vraag een betere planning van het produktievermogen te krijgen en tegelijk het GPB een stevige positie in Nederland te bezorgen, heeft Wijers een truc bedacht: De distributiebedrijven, die nu nog de meeste stroom inkopen, zouden aandeelhouders worden van het GPB. Essentieel blijft de functie van de transportnetten die een natuurlijk monopolie vormen. Immers, voor het aanleggen van concurrerende leidingnetten zou half Nederland op de schop moeten en dat wordt veel te kostbaar en ingewikkeld. Een van de meest weerbarstige problemen voor het duo Langman-Kremers zijn de bestaande eigendomsverhoudingen in zowel de openbare elektriciteitsproduktie als de netwerken. Daarnaast is het een opgave om een onafhankelijk functioneren van de stroomtransportfunctie tegen concurrerende tarieven te garanderen. Dat is nodig om de marktwerking met behulp van een natuurlijk monopolie ruim baan te geven.

Eigenlijk zijn de netwerken collectief eigendom van alle Nederlandse stroomgebruikers, want die betalen via de energierekening voor het beheer, onderhoud, omvorming van elektriciteit en transportvoorzieningen. Maar formeel zijn de Samenwerkende Elektriciteits Produktiebedrijven (SEP) en hun aandeelhouders eigenaren van het hoogspanningsnet, terwijl de regionale distributiebedrijven (de voormalige GEB's) en hun aandeelhouders de distributienetten in eigendom hebben.

Wie echte concurrentie wil moet de netwerken bij aparte, vrije ondernemingen ondernemingen onderbrengen, zoals in Groot-Brittannië, Zweden, een groot deel van de Verenigde Staten en Australië. Dan wordt het gevaar van concurrentievervalsing door producenten die tevens netwerkeigenaar zijn, vermeden.

Producenten zowel als beheerders van het net hebben een voorsprong omdat ze beschikken over alle informatie over de markt. Ze kunnen daarmee in de verleiding komen om door 'kruisbestuiving' met winsten uit andere activiteiten en onderlinge afspraken afnemers aan betere contracten te helpen dan de voordeligste aanbieding die op de markt bekend is. En als zowel de produktie als het netwerkbeheer in één hand is, zijn de kansen op concurrentievervalsing nog groter.

Curieus is dat de wens van een volstrekte scheiding tussen produktie en netwerken, die sterk leeft bij de belangrijkste afnemers van elektriciteit in Nederland, niet door de produktiebedrijven wordt gedeeld. Die klanten zijn de grote industriële ondernemingen en de distributiebedrijven die het overige bedrijfsleven en de kleinverbruikers bedienen. Zij zien scheiding als een voorwaarde om een op te richten 'stroombeurs', een marktplaats waar gehandeld wordt in overschotten, tekorten en lange-termijncontracten tot een succes te maken. Maar de produktiebedrijven willen vasthouden aan een verbinding met het netwerk om 'optimalisatie' bij de inzet van een “zo groot mogelijk aantal produktie-eenheden” (centrales) te garanderen. Met andere woorden: de produktie in alle uithoeken van Nederland afstemmen op de vraag en de transportmogelijkheden.

Minister Wijers geeft de voorkeur aan een voorzichtige benadering omdat hij eerst de fusie van de produktiebedrijven wil realiseren, waarvoor de medewerking van alle aandeelhouders nodig is. Aan de wens tot afscheiding van de netwerken kan hij slechts tegemoetkomen door een radicale verandering in de bestaande eigendomsverhoudingen af te dwingen, legt zijn directeur-generaal mr.drs. C. Dessens van Energiezaken uit. Er zou een speciale wet moeten komen die het mogelijk maakt alle netwerken bij bijbehorende installaties te onteigenen en de eigendom vervolgens over te hevelen naar een nieuwe onderneming. Vrijwel alle provincies en gemeenten die nu aandeelhouder zijn, zouden in opstand komen en de minister wordt overladen met financiële claims. Provincies en gemeenten hechten aan hun aandeelhouderschap omdat ze de nutsfunctie van een continue energievoorziening hoog in hun vaandel hebben staan.

“De vergelijking met Groot-Brittannië gaat niet op”, zegt Dessens. “Daar was de energiesector in het verleden grotendeels staatsbezit. Dan heb je het als regering bij een opsplitsing en vrijmaking van de markt veel makkelijker.” Minister Wijers zoekt nu zijn heil in een organisatorische, juridische en administratieve afscheiding van de netwerken, waarbij hij de eigendomsverhoudingen onaangetast laat. Binnen het nieuwe produktiebedrijf en binnen de distributiebedrijven moeten “Chinese muren” worden opgetrokken. En de aldus gevormde, aparte netwerkbeheerders, worden streng gecontroleerd door een onafhankelijke toezichthouder bij wie klachten gedeponeerd kunnen worden. De transporttarieven en de kostenstructuur moeten openbaar worden gemaakt voor iedere partij die daarom verzoekt.

Het ziet er naar uit dat de 'transformatoren' Langman en Kremers weinig ruimte krijgen om van Wijers' plannen af te wijken. Maar bij de belangrijkste stroomafnemers blijft de weerstand bestaan en de hoop dat het nieuwe systeem van elektriciteitsvoorziening zichzelf snel zal overleven als de vrije markt sterk genoeg is om het over te nemen.

    • Theo Westerwoudt