Op aandringen van Kamer; Ritzen: geen politieke greep op onderzoek

DEN HAAG, 27 NOV. Minister Ritzen (Onderwijs) heeft de Tweede Kamer bezworen dat het geenzins zijn bedoeling is het wetenschappelijk onderzoek politiek aan te sturen. Naar aanleiding van een vraaggesprek in het weekblad Elsevier kreeg de minister een golf van kritiek over zich heen uit de academische wereld.

In een debat met de Kamer over het wetenschapsbudget betoogde de minister dat de 'sturing' zoals hem die voor ogen staat, een uitwerking is van het werk van de Overlegcommissie Verkenningen (OCV), die in 1992 is gevraagd een aantal keuzemogelijkheden op een rij te zetten.

Nadat deze commissie onder leiding van prof. dr. A.H. Rinnooy Kan in mei 1996 haar eindrapport had uitgebracht, heeft het kabinet dit in grote lijnen gevolgd in het wetenschapsbudget. Dat is een tweejaarlijks document waarin het kabinet zijn lange-termijnvisie geeft op het wetenschapsbeleid. Voor dit beleid staat voor 1997 in totaal 5,3 miljard gulden op de rijksbegroting.

Ritzen: “De zaken worden niet bedacht in Zoetermeer. Het is een karikatuur, als zou een wetenschapper iedere morgen langs moeten komen met een werkbriefje.” Ritzen erkende dat de overheid wil sturen, maar dan wel op basis van “een breed gedragen proces”. Hij pleitte daarbij voor een versteviging van de relaties tussen universiteiten, onderzoeksinstellingen en maatschappelijke organisaties, waaronder de overheid.

De woordvoerders van VVD, PvdA, CDA en D66 die in diverse toonaarden hadden gewezen op het belang van de academische vrijheid, konden zich hierin vinden. Ritzen verwacht wel dat een voortgezette bezinning op de keuzes in het wetenschappelijk onderzoek zich niet alleen zal richten op de gewenste prioriteiten. De kwaliteit van het onderzoek moet volgens Ritzen het doorslaggevende criterium zijn. Daarom valt volgens hem niet te ontkomen aan het tevens vaststellen van 'posterioriteiten': wat niet goed genoeg is, dient af te vallen.

De woordvoerders van de vier grote fracties zetten vraagtekens bij het precieze aantal van tien toponderzoekscholen die in aanmerking kunnen komen voor extra geld. In de begroting is voorgesteld om voor maximaal tien van de bestaande honderd onderzoekscholen jaarlijks in totaal 100 miljoen gulden extra uit te trekken, waarvan 30 miljoen aan steun voor individuele toponderzoekers. Onder druk van de Kamerleden stemde de minister ermee in dat de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) per geval bekijkt welke onderszoekscholen in aanmerking komen voor extra steun, waarbij het getal tien niet heilig zal zijn. Maar Ritzen liet tegelijk blijken, dat een veel groter aantal, bijvoorbeeld twintig, zou neerkomen op de “bekende verdelende rechtvaardigheid”.

Ritzen zegde de Kamer toe dat er binnen drie maanden een plan op tafel zal liggen om het Rijksherbarium te Leiden te kunnen openhouden, dit op dringend verzoek van de Kamer.