“Let it all hang out!”

De cirkel was mooi rond aan het einde van Shake, rattle & roll, de 6-delige serie die Frans Bromet en Constant Meijers voor de NPS maakten over de invloed van de popmuziek op de (jeugd)cultuur van Nederland. Een diskjockey, Gert van Veen, zei over de house-muziek: “Het is zo succesvol omdat het misschien wel een revolte is tegen de stijfheid van de cultuur. Bevrijd je uit de ketens van je stijve opvoeding! Let it all hang out!”

Daar was het zo'n dikke veertig jaar geleden immers om begonnen: een breuk met de cultuur van de ouderen, die in de jaren vijftig nog plachten weg te zwijmelen bij Duitse schlagers en saaie dixieland. Bromet en Meijers, nu zelf vijftigers, namen ons mee door de wisselende landschappen van de jeugdcultuur sindsdien.

Het was af en toe een nogal voorspelbare tocht, zeker in het begin. Voor wie het allemaal had meegemaakt, was de keus van de 'talking heads' soms wel erg voor de hand liggend. Wéér Jan Vrijman, wéér Willem van Kooten, wéér Willem de Ridder en Marijke Koger - je kunt hun statements over die jaren zo langzamerhand wel dromen.

Maar naarmate de serie vorderde, werd ze interessanter. Misschien omdat Bromet en Meijers steeds nauwere kringen trokken rond de kardinale vraag: wat heeft het nu eigenlijk opgeleverd? Expliciet trokken ze zelf geen conclusies, maar uit hun vragen en de keuze van hun gasten viel wel degelijk een groeiende scepsis te destilleren.

Aardige muziek was er al die jaren wel gemaakt, maar was de samenleving er ingrijpend door veranderd? Of was 'de revolte tegen de stijfheid' niet méér dan een rituele dans waarvoor elke generatie een nieuwe naam bedenkt: van twist tot house?

Wim Noordhoek, een diskjockey uit de jaren zeventig, herinnerde zich de politieke euforie uit die periode nog goed. “Ik moest bij de VPRO in dienst van het goede doel radio maken. Mensen spraken je er heel direct op aan: dit en dit moet je uitzenden. Maar op den duur groeide het uit elkaar: vanaf 1972 waren politiek en cultuur weer twee gescheiden dingen.”

In diezelfde uitzending zei Hugo Arlman, ex-redacteur van Vrij Nederland: “Het establishment valt niet zomaar om. De rat-race gaat door en je bent er zelf deel van.” Die kans liet Bromet zich niet ontgaan. “Ja”, nasaalde hij, “je draagt nu zelf ook een grijs pak.”

Achteraf is het wel erg naïef geweest om van muziek de verlossing te verwachten. Muziek biedt ontspanning en troost, maar politieke bevrijding? Dat bleek veel te hoog gegrepen. De popmuziek werd overschat, ze bezweek in die periode bijna onder haar pretenties. Noordhoek beschreef heel scherp de alomtegenwoordigheid van de muziek. Waar je ook kwam, overal werd meteen 'een plaatje opgezet'. Noordhoek: “Altijd die herrie, altijd muziek, de hele dag door, het was gestoord.”

“Je kunt beter opbranden dan wegroesten”, zong Neil Young, maar de generaties na hem vonden dat roesten niet eens zó ongeriefelijk. Bromet en Meijers lieten zien hoe de punkgeneratie zich voedde uit de subsidieruif. “Punk was zelf dingen doen”, zei Hugo Kaagman. “Ja”, zei Bromet, “zelf een uitkering aanvragen.”

“Punk was de laatste beweging in de popmuziek waarmee je je ouders nog in de gordijnen kon krijgen”, beweerde Joost Zwagerman. Maar láng heeft die verontwaardiging niet geduurd, want de ouders realiseerden zich spoedig dat er geen essentieel verschil bestond tussen de hanekam van Johnny Rotten en de vetkuif van Elvis Presley. Het ging, zoals altijd bij muziek, uiteindelijk minder om inhoud dan om vorm.

Nu dat besef overal is doorgedrongen, kijkt niemand meer boos op van de nieuwe popmuziek. Ze is luid en eentonig voor wie er niet van houdt (de oudjes), ze is heftig en opwindend voor wie er wél van houdt (de jonkies). En zo hoort het ook.

Alleen de licht spottende verbazing - die zal altijd blijven. Bromet tegen een meisje: “Kun je hiphop denken zonder dat je weet wat hiphop is?” Het was alsof ik mijn vader weer hoorde vragen: “Je wilt toch niet beweren dat die Presley zingen kan?”