Leerplicht is in India nog steeds geen prioriteit

NEW DELHI/CALCUTTA, 26 NOV. Een enkele keer keek Mina, de elfjarige dochter en part-time assistente van mijn vroegere schoonmaakster, tijdens het stoffen wel eens treurig vanaf het balkon naar beneden. Daar waren haar leeftijdsgenootjes uit de welvarende middenklasse-woningen in de buurt vrolijk op het gras aan het ravotten. Als geboren en getogen Indiase wist ze echter dat zij, als kind uit een naburige sloppenwijk, nooit en te nimmer met hen zou kunnen spelen. De sociale hiërarchie in India is in dat opzicht onverbiddelijk.

Terwijl de kinderen uit de betere milieu's dure particuliere scholen bezoeken, waar ze dingen leren waar ze later wat aan hebben, zijn Mina en andere niet-rijke kinderen aangewezen op staatsscholen, die weliswaar gratis zijn, maar die de leerlingen ook weinig nuttige bagage meegeven voor de rest van hun leven. De ouders van de arme kinderen, die zelf zelden een school van binnen hebben gezien, zetten hun kinderen doorgaans zo snel mogelijk aan de arbeid. Elke rupee die hun kroost binnenbrengt is bijzonder welkom.

Niet bekend

Het is niet het enige terrein waar veel van India's ruim 350 miljoen kinderen te kort komen. De meesten brengen tegenwoordig wel een tijdje door op een lagere school, maar de meerderheid komt daar ook weer snel van af zonder iets te hebben geleerd. Zelfs veel kinderen die enkele jaren op school hebben doorgebracht kunnen vaak nog niet eens een simpel zinnetje lezen of schrijven. Volgens schattingen van non-gouvernementele organisaties zijn bovendien tientallen miljoenen kinderen van beneden de 14 jaar full time aan het werk, vaak dezelfden die ondervoed zijn. De meesten helpen hun ouders op het land, maar anderen werken als venters, voddenrapers, theeplukkers, tapijtenknopers, glasblazers, bedelaars, in de prostitutie of in de huishouding.

Zo'n 1500 kilometer ten oosten van New Delhi, in Calcutta, krioelt het van zulke kinderarbeiders. Een van hen is de 10-jarige Shayda Khatoon, die eruit ziet alsof ze zojuist van een langdurig verblijf in een reeds lang niet geveegde schoorsteen is teruggekeerd. Alles aan haar is zwart: haar gescheurde kleren, haar handen, haar blote voeten en haar gezicht.

Maar Shayda is geen schoorsteenveegster. Al drie jaar lang slaat ze van 's ochtends zes tot 's avonds zeven oude batterijen kapot. Zorgvuldig worden de stukjes metaal, plastic en koolstof van elkaar gescheiden voor recycling in smerige fabriekjes waarvan het in Calcutta wemelt. Door de koolstof in de batterijen wordt iedereen die dit werk doet in een mum van tijd zwart. Ook haar ouders en twee zussen werken in deze branche. Bij elkaar verdient de familie Khatoon zo'n honderd rupees per dag, omgerekend vijf gulden, net voldoende om zichzelf in leven te houden.

Nimmer heeft Shayda ook maar een voet in een school gezet. Vindt ze het werk leuk? “Nee”, zegt ze, verlegen door de plotselinge belangstelling van vreemden voor haar. “Ik zou liever naar school gaan of spelen en schone kleren dragen.” Maar de familie kan haar inkomentje, hoe bescheiden ook, niet missen, waardoor dat zo goed als zeker altijd een droom zal blijven. Veel tijd om te dromen heeft ze trouwens niet, want na zevenen moet ze haar moeder nog helpen met eten koken en andere huishoudelijke besognes. Een vetpot is dat diner niet: het blijft doorgaans beperkt tot rijst met peulvruchten en chapatti's, het Indiase pannekoekvormige brood.

Aan de andere kant van het sociale spectrum staan de kinderen van de betere stand (en kaste, in India nog altijd een belangrijk criterium). Raunak en Gehenna bijvoorbeeld, de kinderen van mijn voormalige benedenburen, waar Mina ook wel eens schoonmaakte. Zij worden meestal naar hun particuliere school gebracht en na afloop gehaald, soms door Mina's moeder. Als hun huiswerk af is, spelen ze buiten met andere kinderen van hun stand, lezen een boekje of kijken televisie. Van tijd tot tijd neemt hun moeder hen mee naar het zwembad en in de zomer gaan ze op vakantie naar de bergen ten noorden van New Delhi. Al van jongsaf aan spreken ze vloeiend Engels, iets waarop Mina en de meeste arme kinderen niet kunnen bogen.

In nog rijkere gezinnen hebben de kinderen meestal een aya, een kindermeisje, in dienst. Een auto met chauffeur wacht hen op bij het uitgaan van de school. Thuis doen ze videospelletjes en spelen cricket met heuse beenbeschermers en echte slaghouten. Van kindsbeen af wordt bij kinderen van de hogere standen een superioriteitsgevoel gekweekt ten opzichte van kinderen als Mina en Shayda. Via familieconnecties zijn ze bijna verzekerd van een goede baan en een comfortabel leven in een later stadium van hun leven.

Tussen kinderen van de armsten en de rijksten zit een zeer brede groep, vooral op het platteland, die een sober maar niet ongelukkig leven leidt. Ze krijgen (net) genoeg te eten, gaan af en toe naar school, moeten soms hun ouders helpen en spelen verder met hun meestal talrijke broertjes en zusjes.

Aan de Indiase regering hebben ze intussen weinig. Weliswaar heeft deze allerlei internationale akkoorden ondertekend waarin de rechten van het kind worden gegarandeerd, maar in de praktijk is haar daadkracht gering gebleken. Zo heeft ze het nog altijd niet nodig geoordeeld de leerplicht te introduceren. Slechts op halfhartige wijze heeft New Delhi zich bovendien te weer gesteld tegen het fenomeen van de kinderarbeid. Ook een recent voorstel om kinderhuwelijken, vooral op het platteland nog heel gebruikelijk, wettelijk te verbieden, ketste af op verzet van de regering, die kennelijk bevreesd was conservatieve ouders daarmee tegen de haren in te strijken.

Slechts de vroegere premier Rajiv Gandhi legde in de jaren tachtig enige eer in met een energieke en succesvolle inentingscampagne, waar de levens van vele honderdduizenden kinderen elk jaar door konden worden gered.

Voorzieningen zoals crèches, openbare speelplaatsen en kinderbijslag die in meer ontwikkelde landen gebruikelijk zijn, ontbreken in India vrijwel geheel. Afgezien van gebrekkige schooltjes en een zeer elementaire gezondheidszorg hebben de meeste burgers weinig van de staat te verwachten voor hun kinderen. Ze moeten alles zelf regelen. Dikwijls werken grootouders als kinderoppas, een baantje waarmee trouwens ook de oudste dochter vaak al op jonge leeftijd wordt belast. Jongens, die in India van oudsher worden vertroeteld, zijn van zulke karweitjes meestal vrijgesteld.

De ouders laten hun zoons meer en langer naar school gaan dan hun dochters, omdat ze daarvan op termijn meer rendement voor het gezin verwachten. Iets doen voor je dochter is, zoals een oud Tamil-gezegde het wil, “als het water geven van een plant in de tuin van je buurman.” Dochters trouwen immers en zie je daarna niet meer terug, zoons worden daarentegen geacht later ook voor hun ouders te zorgen. Al vroeg wordt Indiase kinderen ingeprent dat de familie het scharnier is waarom alles draait; of het nu gaat om het vinden van een maaltijd, een baan, een echtgenoot of echtgenote, een huis, geld of een oudedagsvoorziening. De belangen van de afzonderlijke gezinsleden moeten daaraan te allen tijde ondergeschikt worden gemaakt.

    • Floris van Straaten