Het Nederlandse publiek kan omroepverenigingen niet missen

De huidige publieke omroep borduurt te veel voort op de oude zuilen, schreef Raymond van den Boogaard op 12 november. Ton Verlind vindt dit een cliché. De bestaande omroepverenigingen zijn eigentijds, maatschappelijk betrokken en worden gewaardeerd. Pleidooien voor een staatsomroep bedreigen de huidige veelkleurigheid.

Raymond van den Boogaard geeft enkele bespiegelingen bij de plannen van staatssecretaris Nuis voor de toekomst van de publieke omroep. Hij wijdt ook een paar passages aan hoe het - volgens hem - in Hilversum toegaat. Gelukkig liggen de feiten anders.

Van den Boogaard hoopt dat er in de toekomst “een omroep kan ontstaan die beter dan de huidige een aantal maatschappelijke opdrachten kan vervullen: hoogwaardige nieuws- en informatievoorziening, educatie en cultuurverspreiding.”

Die omroep is er al. Onderzoek leert dat het publiek de huidige publieke omroep niet wil missen. Wordt het niet eens tijd naar dat publiek te luisteren in plaats van achterhaalde meningen te papegaaien!

Van den Boogaards artikel is vooral gericht op Nuis, maar zijn beschouwingen getuigen van een aantal cliché-opvattingen over de omroepen. Hij schrijft bijvoorbeeld: “De huidige omroep is in de eerste plaats een uitdrukking van een bepaald vergadercircuit en een verdwijnend, verzuild maatschappijmodel.” Alsof er sinds de oprichting van de omroepen niets veranderd is en bijvoorbeeld de KRO louter spreekbuis is van de katholieken, de katholieke kerk of katholieke organisaties. De huidige werkelijkheid is die van een eigentijdse omroep, die veel belang hecht aan betrokkenheid en menselijkheid, en in haar journalistieke produkten betrouwbaarheid en degelijkheid voorop stelt. En die vanuit zijn katholieke wortels bijdraagt aan de pluriforme samenleving die Nederland is.

Staatsomroep-achtige plannen, zoals Nuis die met applaus uit zowel liberale als socialistische hoek lanceert, doen geweld aan het brede spectrum van stromingen in de Nederlandse samenleving. Nederland is meer dan Amsterdam en zijn grachtengordels.

Het publieke bestel is een prima weerspiegeling van de Nederlandse volksaard. De traditionele verzuiling is niet meer. Maar nooit eerder was de samenleving zo opgesplitst in groepen die op zoek zijn naar een eigen identiteit: de McDonaldsgeneratie, de gabbers, de watjes, de Johnnies en Anita's, alto's en aso's. Maar er zijn ook nog steeds een paar miljoen katholieken en protestanten en er is een groeiende groep moslims. De 'zuilen' zijn niet verdwenen, ze hebben een heel ander aanzien gekregen.

Ik neem aan dat Van den Boogaard veelkleurigheid in de krantenwereld wèl wil behouden. Waarom niet bij de omroepen? Niemand zal bepleiten dat NRC Handelsblad, Trouw en De Volkskrant moeten opgaan in een centraal geleide organisatie om zo één kwaliteitskrant te vormen, hoewel dit uit overwegingen van rendement wellicht voor de hand zou liggen. Waarom zou het argument van pluriformiteit hier wél gelden en niet bij omroepen, die bovendien een stevige democratische verankering hebben in de samenleving?

Een andere uitlating van Van den Boogaard: “Gezindheid staat boven professionaliteit bij huidige omroepen.” Onzin, voor de KRO gelden professionele uitgangspunten. Maar professionaliteit wordt hier verward met objectiviteit. Juist in het “achter het nieuws kijken”, en “het nieuws duiden”, een taak die de KRO zich bij actualiteiten zeker stelt, komt bij iedere journalist een grote mate van subjectiviteit om de hoek kijken. De VPRO zal een andere keuze uit het nieuws maken dan de KRO. En waarom ook niet? Het past bij onze volksaard, bij de pluriforme samenleving.

Programmatische samenwerking maakt je programma niet automatisch beter. Een zekere concurrentie, noem het rivalisering, voorkomt dat programma's voorspelbaar worden. Kijk naar het zeer succesvolle Netwerk, waar de redacties van Brandpunt, Hier en Nu en AVRO's Televizier samenwerken. Niet één grote nieuwsfabriek - de nadelen daarvan zien we in Nova en het Radio 1 Nieuwsjournaal.

“De publieke omroep is niet doelmatig.” Jammer dat Van den Boogaard in deze beschouwing niet echt de financiering van de publieke omroep betrekt. De publieke omroep doet het prima, reorganiseert zich verder, maar wil geen staatsomroep worden. De STER-inkomsten dalen, de rechten voor programma's worden duurder, de kosten stijgen. Daarom pleiten wij voor een ander financieel 'arrangement'. Het publieke bestel kost een miljard gulden, dat is veel geld, maar in 1996 is er wel 1,5 miljard gulden aan omroepgelden binnengekomen. Als bepleit wordt die middelen allemáál aan programma's te besteden, moet de overheid andere kosten uit andere voorzieningen halen, uit belastinggeld bijvoorbeeld.

Vergelijk dit eens met de cijfers van de door sommige opinion-leaders zo bejubelde, maar in Nederland zo slecht bekeken BBC. De Britse publieke omroep houdt voor een bedrag van 5 miljard gulden per jaar (vijf maal het Nederlandse budget!) twee televisiezenders in de lucht. Die investering levert een marktaandeel op van 40 procent (dat heeft de Nederlandse publieke omroep ook). Uit deze vergelijking mag blijken dat de Nederlandse omroep een alert en efficiënt opererende organisatie is, waar tegen lage kosten zeer acceptabele programma's worden uitgezonden. Toegegeven: de versnippering in Nederland is een handicap. Want financiële middelen kunnen niet altijd efficiënt worden aangewend. Maar die beperkingen hebben ook geleid tot opmerkelijke prestaties.

“Meer dan de helft van het publiek loopt weg bij de publieke omroep”, schrijft Van den Boogaard. Ik zie het anders: het publiek kiest, naast het publieke bestel, ook voor andere zenders. En tegelijk vindt 83 procent van de Nederlandse bevolking dat het systeem van de huidige publieke omroepen moet blijven bestaan. Europees gezien staan we er als publieke omroepen prima voor. Tegen een lage kostprijs worden relatief goede programma's gemaakt en daarmee halen we ook nog eens 40 procent van de kijkersmarkt, wat hoog is in vergelijking met andere landen met commerciële televisie. Daarbij moet je in acht nemen dat het gros van het publiek èn de veelkijkers vooral geïnteresseerd zijn in amusement. De publieke omroep stelt zich ook andere taken: de taken die Van den Boogaard juist omschrijft. Wij zien kijkers en luisteraars niet als consumenten, maar als burgers die geïnformeerd willen worden. Zou overigens de komst van commerciële concurrenten met voornamelijk amusement zonder gevolgen voor het aantal kijkers naar de publieke omroep kunnen blijven? Ik meen te weten dat De Telegraaf veel meer abonnees heeft dan NRC Handelsblad.

“De omroepen doen voor creatieve ideeën veelal een beroep op externe, commerciële produktiebedrijven.” Daar is niets op tegen. Kranten maken ook ruim gebruik van persbureaus en freelancers. Als je er (als krant en als omroep) maar bíj bent en zelf de keuze en inhoud bepaalt. De KRO maakt de meeste programma's in eigen huis. Bijna alle succesprogramma's worden door de KRO zelf geproduceerd: Spoorloos, Ook Dat Nog, Waku, Waku, Toen was geluk heel gewoon, Reporter, Netwerk (met AVRO en NCRV), Aso-show, TeeVee-Studio, om er een paar te noemen.

Tot slot: de staatssecretaris noemt een aantal onderwerpen (25 gulden-lidmaatschap, één concessie, twee of drie TV-zenders, centrale sturing), maar wat mijns inziens ontbreekt, is een totaalvisie die uitgaat van de kijkers en een goed programma-aanbod. Op dat punt ben ik het eens met de schrijver. Maar een reactie als de zijne, gebaseerd op - in onze ogen - onjuiste vooronderstellingen, getuigt van een simpele en achterhaalde kijk op de werkelijkheid. Ik blijf herhalen: er is geen kwaliteitsprobleem, er is geen probleem van een zwakke legitimiteit, er is hooguit een politiek probleem.

    • Ton Verlind
    • Televisie bij de Kro