Eer

Met genoegen las ik de rubriek van mr. J.L. Heldring (15 november), waar hij verschillende betekenissen nagaat van het woord 'eer'. Beginnend bij de historicus Lucien Febvre, die het begrip in Frankrijk verbindt met vaderland (1956), gaat hij daarna over naar ons eigen taalgebruik.

“In Nederland (is) eer nooit een begrip geweest dat mensen in vuur en vlam zette,” zo constateert hij terecht. “Eer heeft te maken met dynastieën, met (adellijke) geslachten, met individuen ook”, en hij wijst erop dat ons land slechts “heel laat” in de geschiedenis een koninkrijk is geworden.

Het woord heeft zeer verschillende inhouden. In Frankrijk was in de feodale tijd het woord 'honor' in gebruik, hetgeen verwees naar een door de koning toegekende staatsfunctie (graaf, hertog), met de daaraan verbonden rechtsbevoegdheden 'in naam van de koning'. Een rechtstreekse delegatie van bevoegdheden. Daaraan waren ook leengoederen verbonden die het mogelijk maakten de functie uit te oefenen (beneficium), maar die verbinding dateert waarschijnlijk uit de tijd waarin de koningen minder machtig werden (9de-10de eeuw).

Vandaar dat, inderdaad zoals hij schrijft, in Frankrijk maar ook in Duitsland de term een veel hogere prestigieuze inhoud geniet dan in onze streken. Iets hiervan klinkt nog door in het huidige Franse woord 'honneur'. In ons land kent men die betekenis eveneens: als iemand de 'honneurs' waarneemt voor een ander neemt hij (tijdelijk) diens functie waar.