De nachten

Wat kunnen steden toch stil zijn, 's nachts. Zelfs een metropool als Amsterdam 'leyt' na twaalven 'gestreckt en uytgespreyt en rust met lijf en leden'.

Als ik, logerend in Zuid 's voor het raam sta of op het balkon en uitzie op het inwendige van een huizenblok, dan dringt zich de stilte aan me op als een afwezigheid van alles. In het rustige dorpje waar ik woon, hoor je 's nachts, vooral wanneer het stil is, altijd nog wel wat auto's op de snelweg, vier kilometer verderop. Of een trein. Of een hond. Op het platteland heb je meer met dieren te maken dan in de stad. In heb 's een keer 's nachts een paar uur buiten gelegen, op het gras, tegen de struiken aan en me doodstil gehouden. Wat een gescharrel overal, wat een gewroet en gedoe. Een egel op muizenjacht, een mol die de aarde omhoog werkt, een kat, een merel die wegschiet als een schreeuwende pijl, een hond die aanslaat, koeien die snuiven en scheten laten, uilen - de aarde is ook 's nachts flink in beweging, en onrustig. Onrustiger dan de besloten tuintjes van een vooroorlogse buitenwijk.

Gisternacht sliep ik bij vrienden in Delft, op twintig meter afstand van de Oude Kerk, waarvan de toren, licht hellend - al eeuwen - de wereld op de hoogte houdt van de tijd door middel van zijn zwaarste klok, een bourdon. Je zou zeggen, daar schrik je elk half uur van wakker, maar juist zó'n klok laat je weten: u kunt rustig gaan slapen.

Die slaap had ik wel nodig. De dag tevoren had ik, ergens in Brabant, in een landelijk(!) hotel na het hanegekraai om twee uur 's nachts wakker geschrokken, de slaap niet meer kunnen vatten aangezien hij zijn geschreeuw elk kwartier herhaalde - tot het eindelijk licht geworden was. Ik dacht eerst aan pesterij. Dat de buren last hadden van het nieuwe hotel en dat ze het beest opstookten, maar tijdens het ontbijt hoorde ik dat kippen beter leggen als ze 's nachts telkens met felle lampen worden wakker gemaakt. Maar in de bio-industrie kan dat toch zonder haan?

Amsterdam was indrukwekkend stil. Wie New York kent, weet dat daar tussen dag en nacht nauwelijks verschil is, afgezien ervan dat 's nachts de zon niet schijnt. Evenveel lawaai als overdag. Wie ervaring heeft met New-Yorkse nachten weet dat je er uitstekend op slaapt, op dat lawaai. Rome wordt evenmin rustig, 's nachts. Al die razende Fiats en Alfa's trekken zich van zon en maan maar weinig aan. Daarentegen - ik heb middenin de nacht door Athene gelopen, over stille pleinen en door stille straten... Iedereen was al naar huis gegaan en sliep. Een doodstille stad, 's nachts. Had ik niet gedacht, van Athene.

En ook niet van Amsterdam, eerlijk gezegd. Het was twee uur, ik liep op de Spiegelgracht en ik liep er geheel in mijn eentje, in het romantische licht der lantaarns. Het begon toen zomaar te stortregenen, zodat er al helemaal geen reden meer was op straat te zwalken, maar ik had mijn paraplu en daaronder bleef ik fantastisch droog. Ik genoot, was aardig vast ter been (ik had eerst een taxi zullen nemen, maar gelukkig dat ik dat niet heb gedaan) en wist via de Heiligeweg over nog wat grachten en glimmende bruggen, zonder ook maar een sterveling tegen te komen, temidden van de dansende pijpestelen, kurkdroog mijn hotel aan het Gravenlandse Veer te bereiken. Ik denk niet dat elke Amsterdammer weet waar het Gravenlandse Veer ligt. Ik nu wel. Wat zal hier - dacht ik, sentimenteel - niet allemaal zijn voorgevallen, in de loop der eeuwen.

Ik steek (anno 1996) mijn zwarte gatenkaart in de muur, maar de deur blijft dicht. Ik ben toch wel goed? Ik draai de kaart om, steek hem opnieuw in de muur. De deur springt open, ik ben goed.

Heerlijk hotel. Heerlijk geslapen. De volgende ochtend is de hemel diepblauw, de regens zijn voorbij. Ik hang uit het raam en zie verderop, aan de houten kade, aan de rietkraag misschien wel, een veerbootje koers zetten naar 's-Gravenland.

    • Gerrit Krol