Zapman

De zestienduizend toeschouwers die gisteren getuige waren van de zoveelste tweekamp tussen Becker-Sampras, hebben vier uur lang in hun handen geklapt. Nu zitten ze thuis met de blaren. Die handen hebben alleen even rust gehad op de momenten dat de bal werd gespeeld.

Tussen het publiek zat ook mevrouw Becker. Een commentator wist te melden dat in de sporthal negenentwintig camera's stonden opgesteld. Ik denk dat ik dat getal verkeerd heb verstaan. In iedere geval stond één van die camera's permanent op mevrouw Becker gericht. Ze had een bruin mantelpakje aan, en haar haar zat in een paardenstaart. Meeklappen met de rest was er niet bij, haar handen waren in de weer met andere dingen. Of ze bevonden zich voor haar ogen of ze werden ten hemel geheven.

Eén keer vouwde ze haar handen tot een toeter om haar man iets toe te roepen. Ze had het zwaar. Soms boog ze zich in wanhoop voorover om naar haar schoenen te staren. Of ze liet zich onderuit zakken om het dak te bestuderen. In de break tussen de vierde en vijfde set stond ze op om haar benen te strekken. Daarna heb ik haar niet meer gezien. Waarschijnlijk was het haar teveel geworden. En dat is dan nog maar tennis. Hoe moet het niet zijn voor een geliefde van een autocureur? In dit verband moet ik een passage aanhalen uit de autobiografie van Rudi Caracciola. Het is 1926. Rudi heeft net een race gewonnen, hij wurmt zich uit zijn wagen en wil zijn vriendin Charly omhelzen. Maar die is nergens te bekennen.

“Charly, wat is er met je?”, vraagt Caracciola als hij haar pas veel later in de stad gevonden heeft. Hij ziet aan haar ogen dat ze gehuild heeft.

“Och, niets”, zegt Charly.

“Waarom ben je dan niet naar me toegekomen?”

“Ik ben eerder weggegaan.”

Ze beeft over haar hele lichaam.

“Ik heb naast de vrouw van Chassange gestaan. Je weet wel, die Fransman, die in de elfde ronde verongelukt is... Hoe ze daar naar de lege baan stond te staren en wachtte, wachtte, wachtte en maar wachtte... Ik zag dat ze bad. Toen werd gemeld Chassange verongelukt... Chassange zwaar gewond... Toen begon ze te huilen, zó te huilen, zonder te snikken, alleen de tranen liepen over haar gezicht en ze was lijkbleek. Toen hield ik het niet meer uit, toen ben ik weggegaan.”

Caracciola weet even niets te zeggen.

“Moet je beslist autocoureur zijn, Rudi?”

“Ja, dat moet”, zegt hij.

    • Hans Aarsman