Troostend reliquarium

Schrijversmusea veroorzaken een ongemakkelijk gevoel. Schuifelend langs de perifere tastbaarheid van de auteur in kwestie, vraagt de bezoeker zich af of de tijd niet beter besteed had kunnen worden aan lezen.

'Fetisj! Schrijvers en de dingen', een uitgave van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, kost ƒ 34,90 en is behalve in het museum in een beperkt aantal boekhandels verkrijgbaar.

Misschien daardoor nodigt ieder voorwerp uit tot inspectie, als dwingt het alsnog respect af voor hetgeen wellicht in aanwezigheid ervan werd volbracht: een secretaire met krasjes op het vloeiblad, een licht beschadigde inktkoker, een vulpen. Schrijfgerei verraadt geen inspiratie. Maar de aanschouwer bespeurt die toch, als een geur die opstijgt uit een herinnering. Soms wekt een attribuut zelfs ontroering: een globe op een ranke console (Musée Jules Verne, Nantes), een middagjapon met een taille zo smal dat twee handen haar kunnen omvatten (Emily Dickinson Homestead, Amherst).

De aanblik van de verdwenen schrijver in een verstarde mise en scène neigt tot weemoed, niet tot begrip. Dikwijls wordt de illusie van toenadering bovendien weggenomen door een vrijwillige rondleider of -leidster, die tussen de schaarse spulletjes een praatje afdraait op de automatische toon van alwetendheid: “De meubels stammen allemaal uit de periode dat de familie Dickinson hier woonde. Wilt u niet op het bankje gaan zitten.” Gehavende dingen hebben tenminste nog een zweem van authenticiteit: “Hier ziet u de resten van het houten schommelpaard waar Sir Walter Scott waarschijnlijk als kind op gezeten heeft” (Lady Stair's House, Edinburgh). Maar vaak zijn ze door andermans verbeelding ingehaald: “Deze schommelstoel is een replica van de stoel waarop Meryl Streep heeft gezeten in de film Out of Africa” (Karen Blixen Museum, Nairobi). Of ze worden met plaatstalen volharding uit het verleden teruggeroepen: “Deze deur kraakt nog net zo als in de tijd dat Jane Austen hier zat te schrijven. Door het kraken van de deur kon ze haar manuscript tijdig verbergen onder haar borduurwerk” (Jane Austen House, Chawton). Soms is er helemaal niets dat in de verste verte de voormalige aanwezigheid van de schrijver aangeeft, of het moest het uitzicht zijn (Franz Kafka Museum, Praag).

Bij de uitgang liggen meestal souvenirs uitgestald. Onbeduidende aandenkens aan een visite zonder gastheer of -vrouw. Prentbriefkaarten, pennen of T-shirts met de afbeelding van het betreffende pand; kunstdruk cahiers vol kleurige plaatjes van het interieur met zijn doelloze voorwerpen; een beker met een silhouet van de schrijver; recepten in het handschrift van de dichteres. Thuis bergt men ze op en realiseert zich dat de bedevaart niet vergeefs is geweest: in de boekenkast lonken pagina's die al zo lang niet werden opgeslagen. En de curiosa, ach ze worden nog wel een enkel keertje bekeken, zoals foto's van vergeten tripjes.

“De dingen zijn er voor de schrijver hoogstens om taal te worden. Hun certificaat van echtheid hebben ze heel hard nodig”, schrijft Nicolaas Matsier in zijn innemende inleiding tot het boekje Fetisj! dat bijna een half jaar na de gelijknamige tentoonstelling in het Letterkundig Museum is verschenen. Het Haagse museum besloot tot deze uitgave door het enorme succes van de expositie van voorwerpen uit het bezit van Nederlandse schrijvers. Misschien enigszins in verlegenheid gebracht door de toeloop? Het museum houdt zich immers bezig met de letterkunde en niet met relieken; het heeft liever publiek dat leest dan kijkt.

Het is een wonderschoon, gebonden boekje geworden, een slagje groter dan een prentbriefkaart, met een bruin, namaak-slangenleren kaftje waarop de brutale titel in fluorescerende glimletters prijkt. Een troostrijk reliquarium en bovenal een kleinood op zichzelf. Want de collectie onnozelheden komt door de liefdevolle fotografie van Rob Mostert en de zorgvuldige vormgeving en typografie van Karen Polder los te staan van de holle waarde. Zakelijke notities en proza- en poëziefragmenten geven de nodige achtergrondinformatie, maar zelfs wanneer deze teksten waren weggelaten was er toch een bijzondere serie afbeeldingen overgebleven. In het 'echt' stralen ze allemaal iets treurigs uit, van Frans Coenens lorgnet met leren etui tot Jan Hanlo's stenen, van Vestdijks stofzuiger tot Gorters haarlok. In proportie teruggebracht tot tweedimensionale zwartwitminiaturen zijn de dingen van de schrijvers, die nutteloze zaken, vereeuwigd in een nieuwe, poëtische rangschikking, die veel meer en heel anders tot de verbeelding spreekt dan in levenden lijve.

De dingen zijn al lang weer opgeborgen, maar eens, als het carnavalskostuum van Louis Couperus tot op de draad versleten is, kan men de verkleinde weergave van het reliek nog altijd aanschouwen, in een boekje, dat zelf een relikwie is geworden.