Minister geeft geen cent voor imamopleiding

De heer dr. G.M.J.M. Koolen, senior beleidsmedewerker, neemt het op voor het integratiebeleid minderheden van de minister van Binnenlandse Zaken, en springt op de bres voor zijn hoogste baas, de heer Dijkstal (NRC Handelsblad, 11 november). Daar is niets tegen. Maar de dubbelhartigheid die in dat beleid is gelegen, maakt zijn betoog niet overtuigend.

Dat wat als achtergrond wordt geschetst, kan alleen maar instemming ontmoeten. Voor het overgrote deel van de moslims in Nederland is de godsdienst inderdaad hun houvast in deze voor hen cultureel vreemde omgeving. Vooral als men er rekening mee houdt dat het merendeel afkomstig is uit achtergebleven gebieden in Turkije en Marokko en in hun kinderjaren maar heel weinig opleiding heeft genoten.

Ook zal niemand willen tegenspreken dat het voor een adequate begeleiding van groot belang is indien de kaders binnen de moslimgemeenschap, met name de geestelijke leiders, op Nederland zijn georiënteerd en het Nederlands kunnen spreken, lezen en verstaan. Het is allemaal waar en het intrappen van een open deur, net als de constatering dat de leiders van de grote moslimgroepen daarin nog een lange weg hebben te gaan. Maar wat stelt de minister daar tegenover? Niets dan alleen het belijden van goede bedoelingen.

De minister zou graag zien dat de Turkse overheid meer geld investeert om integratie/assimilatie van Turkse mensen in Nederland te bevorderen. Daar heeft hij voor gepleit in Turkije. Hij heeft daarbij gewezen op de mogelijkheden die de Nederlandse wetgeving biedt op het gebied van bijzonder hoger onderwijs.

Toch schrijft de heer Koolen: “De Nederlandse overheid zal geen enkel initiatief willen nemen voor de opleiding van imams en andere islamitische gezagsdragers”. Indien dit afwijzen van ieder initiatief slechts betrekking zou hebben op het stichten van een opleiding tot imam, kan men er vrede mee hebben. De scheiding van kerk en staat, enzomeer. Maar deze rigide opstelling geldt alle scholing van imams. Deze minister geeft namelijk geen cent voor onderwijs in de Nederlandse taal en het vertrouwd maken met de Nederlandse verhoudingen en de daarbinnen heersende waarden en normen.

Uit het stuk van de heer Koolen blijkt wel dat de minister zich bewust is van het belang - ook voor de Nederlandse samenleving - van een dergelijke op Nederlandse omstandigheden afgestemde vorming van islams. De verantwoording daarvoor wordt echter terug verwezen naar de islamitische gemeenschappen in Nederland zelf. Wie enigszins op de hoogte is van het gemiddelde besteedbare inkomen van een lid van de moskee zal dit niet anders dan als afschuiven kunnen kwalificeren.

Het zint de minister niet dat imams maar tijdelijk in Nederland zijn en zich er niet permanent vestigen. Zijn wens in dat opzicht is in Turkije niet gehonoreerd. Daarom dan ook geen cent voor die imams die wel bereid zijn om Nederlands te leren, ook niet als zij daarin worden gesteund door de multiculturele gemeenschap waarin zij functioneren. De minister is van mening dat het presidium voor godsdienstzaken te Ankara daarop dient te worden aangesproken. Die is naar zijn mening verantwoordelijk voor de opleiding van de in zijn dienst in ons land werkzame imams.

De minister is wel bereid om maatwerk te leveren, maar dan voor rekening van een ander. Hij geeft er in ieder geval geen cent voor en de schade die een dergelijk beleid aanricht in de Nederlandse samenleving laat hem blijkbaar koud. Mensen die menen dat het anders kan, moeten zich maar wenden tot particuliere charitas-instellingen.

De heren Shadid en Van Koningsveld maken zich nodeloos ongerust. Deze minister heeft meer tekst dan beleid als het om imams gaat en de heer Koolen mag dat coördineren.

    • L.P. Westhoff