Huur moet volgend jaar minder omhoog

Het huurbeleid dreigt een blijmoedig hamerstuk te worden, waarschuwt Adri Duivesteijn. En dit terwijl het huidige huurbeleid veel slachtoffers vergt. Hij vindt dat er alsnog een volwaardig Kamerdebat moet worden gevoerd. De maximaal toegestane huurverhoging dient ter discussie te komen.

De volkshuisvesting staat weer op de politieke agenda. Dat is terecht en noodzakelijk. De stelselherziening uit 1990, waarbij de rijksoverheid veel van haar verantwoordelijkheid voor de sociale huursector overdroeg aan de woningcorporaties, is in feite een miljardenbezuiniging die grotendeels is terechtgekomen bij de huurders. Dat gebeurde niet in één keer, maar met losse stapjes. De huren zijn met zo'n vijf procent per jaar gestegen, op de individuele huursubsidie (IHS) is jarenlang beknibbeld en de afschaffing van allerlei subsidieregelingen maakt het vrijwel onmogelijk om nog sociale nieuwbouw te plegen.

Elk afzonderlijk betekenen die veranderingen al een verslechtering van de positie van huurders. De effecten van alle afzonderlijke maatregelen samen zijn ronduit onthutsend. Duizenden huishoudens zijn financieel klem komen te zitten tussen een nauwelijks stijgend inkomen, fors stijgende huur- en andere woonlasten, en een dalende huursubsidie.

Veel huurders met een laag inkomen zijn inmiddels eenderde of meer van hun inkomen kwijt aan huur. De keuze van bestaande of nieuwe woningen die voor hen betaalbaar zijn neemt af. De neerwaartse spiraal van verborgen armoede kan steeds minder verborgen blijven. Ruimtelijke segregatie in 'inkomenswijken' is niet alleen maar een dreiging, ze is al volop gaande.

Dit huurbeleid vraagt veel offers en eist slachtoffers. Niet alleen individuele huurders, ook de samenleving als geheel lijdt schade. Sinds enige tijd erkent ook de politiek de ernst van deze maatschappelijke werkelijkheid. Er leek in het afgelopen jaar een draagvlak te groeien voor nuancering van het volkshuisvestingsbeleid, onder meer ook voor huurmatiging.

De volkshuisvesting staat dus op de politieke agenda, maar voor hoe lang? Staatssecretaris Tommel van Volkshuisvesting wees vorige maand in zijn Huurbrief voor 1997 op de 'dalende lijn' in de huurverhogingen: vanaf 1990 stegen de huren met gemiddeld, 5,5 procent, in de laatste twee jaar met 4,1 procent. Die daling, mogelijk dankzij de verminderde inflatie, is door D66, VVD en CDA met beide handen aangegrepen voor een poging om het huurbeleid weer van de agenda af te halen. Het overleg met huurdersorganisaties over dit beleid was al tot het minimum beperkt, het overleg met de Tweede Kamer wordt dat nu ook. Het huurbeleid moet kennelijk weer een blijmoedig hamerstuk worden. Intussen heeft de staatssecretaris in één moeite door bepaald dat ook in 1997 de huren met maximaal 6,5 procent mogen stijgen.

De volkshuisvestingsproblematiek is groot, ingewikkeld en vaak schrijnend. De stelselherziening heeft krachten ontketend en onbedoelde effecten gesorteerd, die alleen met een vasthoudende, geconcentreerde benadering kunnen worden bijgestuurd. De Tweede Kamerfractie van de PvdA wil niets liever dan dat de ergste problemen voorbij zijn en de richting naar een waardige en betaalbare volkshuisvesting wordt ingeslagen.

Maar zo ver is het nog niet. De 'Mooi Weer Show' die nu over het huurbeleid wordt opgevoerd, heeft slechts gedeeltelijk iets te maken met de maatschappelijke realiteit. Wie met een groothoeklens naar die realiteit kijkt, kan misschien een tikje optimistisch zijn. Wie echter inzoomt op specifieke delen van de steden, ontwaart een schrijnend beeld met zich onverminderd verscherpende tegenstellingen.

De Haagse wijk Nieuw Waldeck (2.700 woningen) werd in de jaren zeventig vooral gebouwd voor de bewoners van oude, verpauperde en slooprijpe wijken als de Schilderswijk en Transvaal. Het Rijk zette zich er samen met de gemeente voor in om hen in de nieuwe wijk goede, betaalbare woningen te kunnen aanbieden. Veel van de kandidaat-bewoners aarzelden: zou die nieuwbouw inderdaad betaalbaar zijn en blijven? “We zorgen ervoor dat jullie hier altijd kunnen blijven wonen”, zo beloofde de toenmalige staatssecretaris Jan Schaefer.

Bijna twintig jaar later is het voor mensen met een laag inkomen vrijwel onmogelijk geworden om naar Nieuw Waldeck te verhuizen. En wie er al woont ziet zich gesteld voor een bijna ondraaglijke huurlast. Vanaf 1992 zijn de huren daar met gemiddeld 24 procent gestegen tot bedragen tussen 800 en 1.300 gulden per maand. Huurlasten van meer dan 30 procent zijn al gewoon en veel van de oud-stadsvernieuwingsbewoners zien zich al bijna gedwongen te verhuizen. Nieuw Waldeck ontwikkelt zich dus tot een bovenmodale wijk. De lagere inkomensgroepen worden verdrongen. Maar waarheen?

Hetzelfde gebeurt in de Nijmeegse Benedenstad (1.200 woningen). In de jaren zeventig werd deze verwaarloosde binnenstadswijk, met uitzicht op de Waal, gesloopt. Het buurtcomité, de woningvereniging en de gemeente beijverden zich eendrachtig voor de herbouw als sociale woonwijk: een gemengde wijk met een gezonde, sociale structuur waar plaats was voor huishoudens met uiteenlopende inkomens. De Benedenstad werd het paradepaardje van de stadsvernieuwing in Nijmegen, en leidde ook tot de revitalisering van de Waalkade tot een toplocatie voor wonen met allure.

Ook hier zijn de sociale doelstellingen in een paar jaar tijd onder zware druk komen te staan. De huurstijgingen liggen er ruim boven het gemiddelde en ze maken bij verhuizingen een extra sprong (de zogenoemde 'huurharmonisatie'). Meer dan 60 procent van de woningen is niet meer beschikbaar voor huursubsidie-ontvangers met de laagste inkomens (de huur ligt boven de 'fiatteringsgrens'). Bij de laagbouwwoningen is dat percentage nog veel hoger, van de bijna 400 eengezinswoningen in de wijk is er nog maar één beschikbaar voor een gezin met een lager inkomen. Voor de huidige bewoners wordt het steeds moeilijker de woonlasten op te brengen, met stille armoede als gevolg. Het einde van de gedifferentieerde wijk is nabij.

Het zijn slechts twee wijken van de vele waarin, bedoeld of onbedoeld, het mechanisme van verdringing van lagere inkomensgroepen zich voordoet. Het zijn praktijkvoorbeelden van ruimtelijke segregatie in wording, die zich voltrekt not with a bang but with a whisper. Het zijn buitengewoon zorgelijke ontwikkelingen. Alleen al om die reden zou een politiek forum als de Tweede Kamer zich serieus moeten buigen over de Huurbrief van de staatssecretaris. En vooral over de specifieke gevolgen zoals die zich in het land voordoen.

Het huidige huurbeleid, met een hoog laisser faire-gehalte en sterke struisvogelneiging, bedreigt meer dan menigeen zich realiseert. Het bedreigt direct het welbevinden van vele huishoudens - en niet alleen van degenen met de laagste inkomens. Wanhopige brieven en krantenberichten in de lokale pers maken hier keer op keer melding van.

Toch is deze werkelijkheid voor de meerderheid van de Tweede Kamer geen aanleiding om de Huurbrief voor te leggen aan de vertegenwoordigers van huurders en verhuurders, voorafgaand aan de eigen behandeling. Onder leiding van het Kamerlid Hans Jeekel (D66) hebben D66, de VVD en het CDA vorige week besloten om de Huurbrief voor kennisgeving aan te nemen. Inspraak en overleg worden niet nodig geacht. Het is gemakkelijk om in de luwte van de Kamer de ogen te sluiten voor Nieuw Waldeck, de Benedenstad en al die andere plaatsen in het land die samen de maatschappelijke werkelijkheid vormen. Zo wordt het wonen en de financiële situatie van honderdduizenden opnieuw gereduceerd tot een hamerstuk.

Deze week zal een aantal Kamerfracties, waaronder die van de PvdA, opnieuw een poging doen het huurbeleid alsnog aan de orde te stellen. Daarbij wordt wat mij betreft de maximaal toegestane huurverhoging voor volgend jaar van 6,5 procent ter discussie gesteld.

Maar misschien is het ook tijd voor een echt D66-voorstel: een correctief referendum over het te voeren huurbeleid. Wellicht is dat de manier om de Kamer te betrekken bij de werkelijkheid en de opvattingen van miljoenen huurders.

    • Maakt Deel uit van de Pvda-Fractie
    • A. Duivesteijn