Brumel en Birtwistle overspannen 500 jaar

Concert: Huelgas Ensemble o.l.v. Paul van Nevel en Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Peter Eötvös. Gehoord: 23/11 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4 29/11 20.02 uur.

In 1505 wilde trachtte Hertog Alfonso I van Ferrara Antoine Brumel overhalen bij hem in dienst te treden als maestro di cappella, een baan voor het leven. Vijftig gouddukaten schonk hij hem vooruit om paarden te kopen voor de reis naar Ferrara. Wie in de Matinee luisterde naar Brumel's Missa Et ecce terrae motus begrijpt iets van zo'n schitterend aanbod. Brumels mis is drie kwartier granietachtige muziek in pure structurele architectuur met slechts de klank als voertuig voor expressie. Een akkoord kan zes maten lang worden aangehouden!

Met behulp van doorgangsnoten en stemwisselingen kwam Brumel in 1500 tot een componeren in dichte statische klankvlakken. Rudolf Lück stelde in 1970 voor om Brumel's utopische mis te combineren met een eigentijdse compositie. Clytus Gottwald van de Schola Cantorum Stuttgart waarvoor Boulez, Ligeti en Kagel componeerden, onderkende Brumel's klankaanzetten als de Klangfarbenmelodien zoals Schönberg die beschreef in zijn harmonieleer en Ligeti het meest overtuigend in onze tijd realiseerde.

Brumel hield van hoogstandjes, zoals zijn achtstemmige compositie, waarin iedere stem in een andere kerktoonladder is geschreven. Maar Brumel's mis is meer dan experiment. De melodie van de Gregoriaanse paasantifoon Et ecce terrae motus wordt niet zelden in een driestemmige canon gevoerd zoals wel vaker die ondoordringbare compactheid wordt doorbroken voor een spel in kleinere groepen, zoals twee zesstemmige en dan weer vijfstemmige koren, momenten om je adem bij in te houden.

Zowel die 'geperste' kwaliteit als de doorzichtiger zang kwamen prachtig over, het Huelgas Ensemble excelleerde zowel stuwend temperamentvol als verfijnd expressief. Het stond in een kring met in elk van de vijf delen steeds weer een andere opstelling.

Inmiddels zijn we gewend aan een veel-gelaagde en samengeperste muziek. Ives poogde in zijn Universe Symphony tien orkesten op verschillende bergtoppen tegen elkaar uit te spelen in elk een eigen tijdsrotatie. Daarbij vergeleken is de opzet van Harrison Birtwistle's Earthdances, Requiem for a landscape (1986) in zes onafhankelijke lagen, elk bepaald door een eigen klankkleur en een eigen melodisch-harmonisch verloop, minder bijzonder.

Evenals Brumel ruimt Birtwistle in zijn orkestrale gewelddadigheden ruimte in voor uitgedunde passages. Het lijkt wel of hij niet buiten de zaal een Fernorchester heeft, maar midden in het orkest: zachte passages voor hout of strijkers, met een dreigende ondertoon, die overeind blijven zelfs bij het geweld van koper en slagwerk daar bovenop. Het idee van onafhankelijke lagen wordt echter min of meer vermorzeld door het onophoudelijke slagwerk, waarin vooral de metallofonen klinken als een zweepslag.

Het was een prachtig concert, maar nog logischer was geweest Brumel te geconfronteren met Ligeti's Requiem, bij uitstek het genre voor experimenten in een granieten klanktextuur.