Botte literaire analfabeten

Jeroen Brouwers: Feuilletons. Extra Edietzie. Herfst 1996. Uitg. Noli me tangere, Zutendaal onder protectoraat van Uitgeverij Atlas. Prijs ƒ 25,-.

Biografie Bulletin. Zesde jaargang. 1996 nr. 3. Verschijnt drie maal per jaar. Losse nummers ƒ 18,50.

Jeroen Brouwers is boos op de Arbeiderspers en in het bijzonder op haar directeur, de voormalige schoolboekenuitgever Ronald Dietz. In het tweede nummer van zijn hoogstpersoonlijke literaire tijdschrift Feuilletons heeft hij 160 bladzijden nodig om aan zijn woede lucht te geven. Het komt er op neer dat Dietz sinds zijn aantreden bij de Arbeiderspers in 1991 deze uitgeverij met haar prestigieuze fonds heeft verraden en verkwanseld in zijn jacht op zilverlingen.

Extra Edietzie luidt de titel van de aflevering. De naamgrap doet het ergste vermoeden en inderdaad is de subtiliteit ver te zoeken. Weliswaar ziet het nummer er bijzonder fraai uit en worden de verwijten aan Dietz (bot, commercieel, literaire analfabeet) aannemelijk gemaakt met citaten uit brieven en interviews, maar de aanval is te persoonlijk, te kleinzielig ook, om indruk te maken.

Wat uit de scheldkannonade vooral blijkt is dat Brouwers na jarenlang een gevierd AP-auteur te zijn geweest, zijn recente vertrek bij de uitgeverij niet kan verkroppen. Bovendien wordt iedereen die Brouwers' boeken niet prijst, op een lijn gesteld met de literatuur-verkrachter Dietz. Daarmee valt Brouwers door de mand en zijn filippica tegen Dietz wordt er niet sterker door.

Het meest irritant aan het, overigens bij tijd en wijle hilarische en door de autenthieke woede meeslepende, betoog vind ik het inmiddels wel zeer cliché-matige gescheld op 'de grachtengordel' of zelfs 'de innercircle van de grachtengordel'. Brouwers is in zijn afkeer van dit milieu nogal tegenstrijdig. Enerzijds vindt hij 'de grachtengordel' een stinkend oord van verderf, anderzijds neemt hij het Dietz kwalijk dat hij zich als uit Groningen afkomstige provinciaal zomaar binnen die fameuze grachtengordel durfde te wagen. Volgens Brouwers, die zich hiervoor baseert op AP-auteur Rudy Dek, dwingt Dietz zijn auteurs zich te vertonen in grachtengordelcafé's om daar recensenten drankjes aan te bieden. Rudy Dek zei ooit in de Volkskrant niet te weten dat de literatuur 'zo'n typisch wereldje' was. Waarop Brouwers hem antwoordt: '(...)die wereld, dat typische wereldje bestaat helemaal niet. Alleen in het door vleierij en opportunisme verziekte brein van Dietz...'

Des te vreemder dat hij vervolgens pagina na pagina tegen dat helemaal niet bestaande wereldje van leer trekt. Hij besteedt er een energie en een literair talent aan die een betere zaak waardig zouden zijn: volgens mij is er buiten de wereld van de uitgeverij, enkele literaire recensenten en een handvol schrijvers niemand die iets aan dit incrowd-nummer van Feuilletons kan ontlenen.

Het tegendeel kan gezegd worden van het Biografie Bulletin dat alweer aan zijn zesde jaargang toe is en het jongste nummer bijna geheel wijdt aan de dit jaar verschenen biografieën van Bolland, Heijermans, Gorter en Van Eeden. Behalve een interview met Van Eeden-biograaf Jan Fontijn staan er interessante artikelen in van de auteurs van genoemde biografieën over hun boeken en over de uitgangspunten die ze bij hun onderzoek hebben gehanteerd. Zo verschillend als hun biografieën zijn, zo uiteenlopend waren ook hun vraagstellingen en manieren van werken. Opzienbarend vond ik het om te lezen dat de historicus Hans Goedkoop als biograaf van Heijermans zichzelf als 'overgelopen historicus' beschouwt - overgelopen naar de literatuur neem ik aan -, terwijl de neerlandicus Fontijn zijn tweedelige biografie over Van Eeden zo moest laten uitdijen vanwege het belang dat hij hechtte aan 'de historische benadering'. Herman de Liagre Böhl, een historicus die zichzelf ook als zodanig beschouwt, blijkt van de vier biografen als enige waarde toe te kennen aan een 'vooropgezet strak theoretisch concept'. Willem Otterspeer, ook al een historicus, stelt daar tegenover dat een biograaf 'zonder enige vooropgezetheid' materiaal moet verzamelen, daarin dient weg te zinken, om vervolgens van verzamelaar interpreet te worden. Tenslotte, zegt Otterspeer, is het karakter dat de biograaf presenteert slechts 'een voorstel uit een repertoire aan varianten. Een biografie is niet een verklaring maar een beleefd verzoek een persoon voor de duur van de tekst in een bepaald licht te bezien'.