Boijmans toont ruim 100 tekeningen van 'de onbekende Van Dongen'; Een meester van kleur en beweging

'De onbekende Van Dongen; vroege en fauvistische tekeningen 1895-1912'. Tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. T/m 5 jan. Geopend di t/m za 10-17u, zo 11-17 uur. Catalogus, ill. in kleur en zwart/wit, 328 blz., ƒ 59,95.

Als jong kunstenaar beschouwde Kees van Dongen (1877-1968) het schilderen met olieverf als een verwerpelijke luxe. “Hoeveel duizenden van die schilderijen worden er jaarlijks niet gemaakt en wat erger is, verkocht”, schreef hij in een brief uit Parijs in september 1901, “terwijl degene die ze maakte verrekt van de honger en duizenden anderen erbij. [...] 't Is ook daardoor dat ik in krantjes teeken en 't schilderen heb laten varen, alleen voor me zelf doe ik 't nog wel eens een beetje.” Verrekken van de honger deed Van Dongen zelf niet, maar hij moest wel allerlei 'scharrelwerkjes' verrichten om het hoofd boven water te houden, als sjouwer in de Parijse hallen bijvoorbeeld, als haardenaansteker, of als schrijver van 'handelsbrieven'.

Met 'krantjes' bedoelde Van Dongen geïllustreerde tijdschriften als La Revue Blanche, satirische, linkse bladen als L'Assiette au Beurre en humorbladen als Le Sourire. Het waren niet de minste kunstenaars die daarvoor werkten werkten. Paul Signac, Emile Bonnard, Frantisek Kupka, Jacques Villon, Juan Gris, Pablo Picasso, allemaal leverden zij tekeningen aan deze tijdschriften. In oktober 1901 kreeg Van Dongen de gelegenheid een heel nummer van L'Assiette au Beurre te illustreren, een belangrijke opdracht waarmee hij zijn naam als illustrator vestigde. Zestien afbeeldingen bevat de aflevering, gedrukt op grijsgroen papier.

De ontwerpen zijn bewaard gebleven. Mooie bladen, zoals nu te zien is op de expositie in Museum Boijmans, vrij en met vaart getekend in zwart en gekleurd krijt, inkt en aquarel. Ze vormen een beeldverhaal over een vrouw die, zwanger van een ongewenst kind, door haar minnaar wordt verlaten, en vervolgens om zichzelf en haar kind in leven te houden gedwongen is zich te prostitueren. Deze tragische lotsbestemming treft niet alleen de moeder, maar ook de dochter die op haar beurt, na de dood van de moeder, hoer wordt. Van Dongen was diep begaan met het lot van de sociaal zwakkeren, en zonder een zweem van moralisme tekende hij het straatleven zoals hij dat om zich heen zag, in zijn geboorteplaats Rotterdam, en in Parijs waar hij zich in 1899 definitief gevestigd had.

Ondanks zijn succes als illustrator waren het toch niet de tekeningen waarmee Van Dongen bekendheid kreeg, maar precies met hetgeen hij aanvankelijk verworpen had: portretten in olieverf van welgestelde burgers. Vanaf ongeveer 1908 trad Van Dongen alleen nog als schilder naar buiten. Zijn tekenwerk raakte in de vergetelheid. De kunsthistoricus Anita Hopmans stelde zich een aantal jaren geleden ten doel om deze 'onbekende Van Dongen' boven water te halen. Door hardnekkig speurwerk wist zij via veilinghuizen en bij particuliere collecties vele bladen te achterhalen. Deze schat aan herontdekt werk laat zien hoe Van Dongen de fauvistische, fel-expressieve schilderkunst waarmee hij rond 1905 aansluiting vond bij de avantgarde van schilders als Matisse en De Vlaminck, ontwikkeld heeft in zijn tekenkunst. Hopmans stelde in samenwerking met het museum de tentoonstelling van ruim 100 tekeningen samen, en schreef een introductie over dit vroege werk. De schitterende expositie dwingt bij een rondgang voortdurend bewondering af over de virtuositeit en trefzekerheid van Van Dongens tekenaarsschap. Er is plotseling een essentieel hoofdstuk toegevoegd aan onze kennis van Van Dongen.

Sociale bewogenheid is een onbetrouwbare inspiratiebron in de beeldende kunst. Dit gold ook voor Van Dongen. Hopmans signaleert dat, naarmate Van Dongen zich rond 1903 'van de sociale boodschap bevrijdde, er vrijer tekenwerk ontstond'. Zijn aandacht verlegde zich van paupers, arbeiders en demi-mondaines naar meer klassieke voorstellingen van vrouwen en naar een onderwerp dat lange tijd zijn voorliefde zou houden: circus- en kermismensen. Van Dongen bewonderde de acrobaten als 'puikmenschen van kracht en lenigheid'. Met enkele zwarte contouren riep hij hun razendsnelle bewegingen op. Steeds meer kleur veroorloofde hij zich nu.

Soms nam hij een oude tekening opnieuw ter hand om er kleur aan toe te voegen, zoals in Au music Hall (1989/1905). Felblauwe contouren óver de grijze lijnen heen van hoed en schouder van de heer vooraan zetten de figuur nog scherper af tegen het wit van het papier. Accenten van hetzelfde blauw komen terug in het haar en de hoed van een vrouw verderop, en de jas van weer een andere vrouw. Korte gele toetsjes op de achtergrond en ook in enkele kapsels: een kleurgebruik dat even on-naturalistisch als overtuigend is.

Een meester van kleur en beweging was Van Dongen. De kleine aquarel Een feest in Holland (45,5 x 32 cm) is er een ander voorbeeld van. Alles in rood-wit-blauw-oranje, met een enkel vlekje geel: wapperende vlaggen en oranjesjerpen, een ruime, heldere wolkenlucht, de mensenmassa gevangen in een roes van rood. Als Van Dongen geen fauvist was, wie dan wel? Het ongecompliceerde vermaak - van wild draaiende carrousels met rose varkentjes (zowel getekend, als geschilderd op doek), van een Braziliaanse dans in de Moulin de la Galette, van een breedlachende buikdanseres - dit alles gaf hem vleugels. Toen Van Dongen in 1905 voor het eerst zijn werk toonde bij kunsthandel Drouet, had hij vooral succes met zijn 'kermisgenre'. Zowel de expressionistische techniek als de thematiek van 'verblindende gloedlampen' en 'rondjagende lichttollen' werden gewaardeerd als nieuw en eigentijds. Ook werd gesproken van 'spontanité extraordinaire'. Deze kwaliteit is niet zo tijdgebonden als men zou kunnen denken: de spontaniteit van dit vroege werk van Van Dongen is nog steeds uitzonderlijk.

    • Janneke Wesseling