Algerije torst de loden last van zijn gewelddadige geschiedenis

Het keel-afsnijden is een alledaags verschijnsel in Algerije geworden. Nieuw is het niet. Meer dan ooit gaat het land in feite gebukt onder zijn sociaal-culturele en politieke erfenis.

Op een warme zomeravond in juli overvielen twintig gewapende lieden, die in naam van God en de islam zeiden te handelen, het bergdorpje Aït Meraou in Kabylië, 125 km ten oosten van Algiers. Zij hadden een lijst met namen: van mensen in het dorp die ter dood moesten worden gebracht. Aan de rand van het dorp namen zij Tahar gevangen. Zij dwongen hem de huizen aan te wijzen van de mensen op de lijst.

Tahar leidde hen naar het huis van Amar, een oud-strijder uit de onafhankelijkheidsoorlog. Want hij wist dat Amar, sinds zijn buurman was aangevallen, zijn huis 's nachts met een oud jachtgeweer bewaakte. Toen dan ook Amar de mannen zag aankomen, opende hij onmiddellijk het vuur. Eén van de aanvallers werd gedood, een tweede ernstig gewond. In paniek renden de aanvallers weg. Hun leider verzamelde hen uiteindelijk op het dorpsplein, waar hij in een fatwa (een religieus decreet) de doodstraf uitsprak over de geboeide Tahar.

Het wachten was alleen op de keelafsnijder van de groep. “Ik zei mijn laatste gebeden, reciteerde Koranverzen en vroeg God om genade”, vertelde later Tahar aan een Algerijnse journalist. “God stond mij bij die dag. De doodgeschoten terrorist bleek de keelafsnijder te zijn. Nadat de groep uiteindelijk op de vlucht was gejaagd, vonden wij zijn lijk. Aan zijn ceintuur hing een groot slagersmes met nog verse bloedsporen.”

Drie maanden later werd op een middag in een pizzeria aan de Rue Didouche Murad, de drukste winkelstraat in het hart van Algiers, een man door de 'strijdkrachten tegen het terrorisme' gearresteerd en ontwapend. Hij werd naar buiten geleid, moest op straat knielen en kreeg vervolgens drie kogels door zijn hoofd gejaagd. Als afschrikwekkend voorbeeld.

Het zijn maar twee gebeurtenissen, die in het Algerije van vandaag tienduizend maal kunnen worden vermenigvuldigd. Want meer dan ooit gaat het land gebukt onder zijn sociaal-culturele en politieke erfenis. Niet langer stelt men de vraag: “Waarom sneden ze hem de keel af?” Daarvoor is het verschijnsel te alledaags geworden en ook niet ècht nieuw. Vóór de onafhankelijkheid waren er immers in Algerije al duizenden mensen die elkaar en de Fransen bevochten. Bandits d'honneur noemde men hen prijzend: mannen die hun eer verdedigden en zich met alle middelen - legaal of illegaal - in leven hielden.

Dat oude patroon komt nu steeds sterker terug. De mannen die in naam van God oorlog voeren, dwingen de burgers om hun voedsel, hun geld en soms ook hun eigen vrouwen of dochters af te staan. Daarop volgt dan de wraakactie van de strijders van de overheid - soms individueel, dan weer collectief gericht. Ook de dorpsmilities bedienen zich steeds vaker van het recept van de wraak; zij bedreigen of vermoorden de families van gewapende moslim-extremisten om hun eigen familie en hun gemeenschap te beschermen. In het gewone leven is het geweld inmiddels zó geïntegreerd, dat als twee mensen ruzie met elkaar hebben, argumenten niet langer bepalend zijn.

Op Algerije drukt de loden last van zijn geschiedenis. Een geschiedenis waarin reeds vóór de Franse kolonisatie geweld vanzelfsprekend was. Tijdens de kolonisatie werd dat geweld alleen maar erger, toen golven geïmmigreerde buitenlanders met steun van het Franse leger de inheemse bevolking van haar landerijen, haar rechten en haar cultuur beroofden.

Na de onafhankelijkheidsoorlog tegen Frankrijk volgden de Algerijnse kolonels en de politieke leiders van de eenheidspartij FLN, die alle macht in handen kregen, het voorbeeld van hun vroegere overheersers. Zij gebruikten hun legitimeit als strijders en als overwinnaars in de vrijheidsoorlog om zichzelf en hun clans zo veel mogelijk te verrijken. Zij lieten de landbouw verloederen, hielden geen enkele rekening met de belangen van de plattelandsbevolking, en probeerden van Algerije een geïndustrialiseerde mogendheid te maken. Zij roomden een deel van 's lands opbrengsten - niemand weet hoeveel - voor zichzelf af. En intussen vernietigden zij de nog bestaande maatschappelijke structuren ten gunste van een geforceerde pseudo-modernisering. Wie zich verzette, werd verpletterd of geliquideerd. Voor de mensen die geen wasta hadden - directe relaties met en bescherming van de machthebbers - was er maar één uitweg: hun eigen zaken te regelen, buiten de overheid om.

Toen de 11-jarige Mulay huilend thuis kwam, nadat hij door een stel jongens in elkaar was geslagen, werd zijn vader erg boos. “Kom me nooit meer met dat gezeur aan”, riep hij. “Hier heb je een mes. Verdedig je. Van nu af aan zal elke aframmeling die je krijgt zonder dat je je te weer stelt, door tien aframmelingen van mijn kant worden gevolgd.” “Mag dat dan: een mes?”, vroeg Mulay. “Laat dat maar aan mij over”, zei zijn vader. “De politie is mijn zorg. Jouw zorg is het om je als een man te gedragen.”

Dat gebeurde 24 jaar geleden ten tijde van president Boumedienne, vertelt Mulay. Hij is ingenieur, woont met zijn vrouw en drie kinderen in een middenstandswijk van Algiers en reist vaak naar het buitenland. “Daarna viel ik mijn vader nooit meer lastig. Ik liep rond met dat grote mes van hem, waarmee ik de anderen kon intimideren en van me afhouden. Denk niet dat mijn vader een ongeletterd man of een barbaar was. Hij was handelaar en genoot veel aanzien, ook al omdat hij in de vrijheidsoorlog tegen Frankrijk een belangrijke rol had gespeeld. Een man met status en gezag. Thuis, op school en op de radio en televisie hoorden wij over de roemrijke strijd, die hij en alle andere moudjahedien tegen de Fransen hadden gestreden. Wij vonden het vanzelfsprekend, ja zelfs heel goed dat zij vele duizenden Algerijnen die de kant van Frankrijk hadden gekozen, de keel hadden afgesneden - ook nadat die oorlog al was gewonnen. Pas nadat ik lange tijd in het Westen had gestudeerd, drong het tot me door dat mijn generatie, en die van mijn ouders, in een cultuur van geweld was grootgebracht. Wat er de afgelopen weken, maanden en jaren in ons land gebeurt, is daarvan de logische voortzetting. Ook toen, in de vrijheidsoorlog, werden de verraders gekeeld of levend verbrand.”

Zijn vriend Hamed, psycholoog, aarzelt, als Mulay hem vraagt of hij dat ook zo ziet. Zoals de meeste van zijn landgenoten vindt hij het een gruwel de vuile was buiten te hangen. “Ja, ach. Ik geloof van wel. Maar dan moet je ook de achtergronden geven. Onze ouders, grootouders en hùn ouders kenden alleen het koloniale gezag van de Fransen. Dat gezag vertegenwoordigde de belangen van vreemdelingen, niet-moslims. Het zorgde ervoor dat twee procent van de colons (de uit Frankrijk, Spanje en Italië afkomstige kolonisten) zich meester maakte van een kwart van de landbouwgrond van Algerije - uiteraard de beste gronden. Ook de opbrengsten van de natuurlijke rijkdommen van het land waren voor hen en voor Frankrijk. Wij, moslims, werden tweedeklas burgers. We hadden ons als Fransen te gedragen, maar zonder de politieke- en burgerrechten van de Fransen te krijgen. We mochten wel in de grote oorlogen die Frankrijk voerde vechten en massaal voor Frankrijk sterven. Onder die omstandigheden kón men niet anders doen dan zélf onderling alles regelen. En dat betekende dat men flink en sterk diende te zijn.”

Opeens laat Hamed zijn behoedzaamheid varen. “In mijn vaders tijd rekende je persoonlijk af met degenen die je te na kwamen. Die gooide je in de rivier. Mijn grootvader bijvoorbeeld verdween spoorloos. Niemand weet waar zijn lichaam is. De familie denkt dat een paar lieden een rekening met hem hebben vereffend. Naar de politie hoefde je niet te gaan. Bijna niemand deed dat. En dat doe je nog steeds niet. Want heel vaak word je op het politiebureau in elkaar geslagen als je daar aangifte doet. 'Wat? Is er iets mis met je, dat je je niet verdedigt?' krijg je dan te horen.”

“Dat is nou precies wat ik bedoel”, interrumpeert Mulay. “De Algerijnse samenleving is, mentaal gesproken, teruggekeerd naar die periode van het kolonialisme. Niemand houdt van het regime, de politie, het leger, de autoriteiten - en dus regelt iedereen zoveel mogelijk zijn eigen zaken. Die automatische reflexen vind je overal. Kijk naar twee van mijn vroegere schoolkameraden. De ene heeft zich aangesloten bij de GIA en snijdt op bevel van zijn emir (leider) mensen de keel af. De ander is in de wijk gebleven waar hij altijd heeft gewoond. Hij heeft geen baan, is financieel afhankelijk van zijn vader, hangt nog steeds tegen de muren en doet niets. Maar hij zal elke gelegenheid aanpakken om zijn belangen te dienen. Ook hij is tot alles in staat. Want hij weet, zoals ieder van ons, dat God ons heeft gezegend en vervloekt. Wij drijven op een gigantische plas olie, maar hebben geweld tot de motor van onze samenleving gemaakt.”

    • Michael Stein