Wie betaalt, bepaalt; Minister ritzen wil breed eigenaarschap wetenschappelijk onderzoek

Maandag buigt de Vaste Kamercommissie zich over het Wetenschapsbudget 1997. Centrale vragen: hoe krijgen we toponderzoek en hoe een betere maatschappelijke betrokkenheid?

WIE HEEFT IN NEDERLAND de zeggenschap over het geld voor wetenschappelijke onderzoek? In het weekblad Elsevier van vorige week deed minister J. Ritzen over deze kwestie ferme uitspraken. “Willen, durven en kunnen we het onderzoek dat we betalen vanuit de politiek aansturen?” vroeg hij zich met nadruk af. En: “Wie moet eigenlijk de keuzes maken over het belastinggeld? Daar ben ik voor ingehuurd, niet de individuele onderzoeker.”

De reacties waren furieus. Zelden heeft Ritzen - die als bewindsman toch het nodige gewend is - zo de wind van voren gekregen. “Bespottelijk”, zegt prof.drs. R. Meijerink, voorzitter van de VSNU, de Vereniging van Universiteiten. “Ik geloofde mijn ogen niet toen ik Elsevier las. Wat daar staat is in flagrante strijd met alles wat we tot nu toe met elkaar hebben afgesproken. Hoe is het mogelijk dat een politicus denkt dat directe sturing betere wetenschap oplevert. Dat leidt tot geprogrammeerd onderzoek langs gebaande paden.”

“Zeer pregnant, de minister ging heel ver”, zegt dr. R. van Duinen, voorzitter van NWO, de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek die de 'tweede geldstroom' beheert. “De minister zou afstand moeten houden, in grote ferme streken het beleid neerzetten en de organisaties aan het werk zetten. In plaats daarvan treedt hij in groot detail. Er dringt zich een verontrustend beeld op van een toezichthouder, die bij iedere onderzoeker over de schouder meekijkt om te zien of hij bij het bepalen van zijn weg wel de politiek correcte keuzen maakt.”

Het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschappen geeft dit jaar 3,3 miljard uit aan wetenschappelijk onderzoek. Van dat bedrag stuurt Zoetermeer 2,3 miljard rechtstreeks naar de universiteiten (de eerste geldstroom). NWO krijgt 600 miljoen (tweede geldstroom) en deelt die in landelijke competitie uit aan kwalitatief hoogstaand onderzoek en aan eigen onderzoeksinstituten. In de tweede geldstroom zitten maatschappelijk relevante prioriteitsprogramma's, maar ook vrij te besteden Spinozapremies voor individuele toponderzoekers. Daarnaast doen universiteiten in opdracht van derden, zoals de overheid en de industrie, aan klantgericht contractonderzoek. In sommige sociale faculteiten maakt deze derde geldstroom ruim de helft van het onderzoeksbudget uit - zodat wezenlijke vragen weleens blijven liggen.

Voor het fundamentele, curiosity driven onderzoek is politieke, kortademige sturing funest, meent Van Duinen. “Onderzoek is een zaak van lange adem, van verandering en vernieuwing, van schoolvorming, van je aan het internationale front staande houden. Er zitten grote stukken bij waarvan niemand nu kan zeggen waar het toe dient. Kennelijk is het bijzonder moeilijk de politiek van het nut van nutteloos onderzoek te doordringen. Toch heeft het grote maatschappelijke waarde, cultureel, om mensen op te leiden, enzovoort. Politiek gestuurd onderzoek leidt ertoe dat onwelgevallige resultaten in een la verdwijnen. En wat vandaag voor de politiek een probleem is, is morgen opgelost. Zo word je als fundamenteel onderzoeker ieder jaar naar een ander programma gestuurd, en komt er niks meer uit.”

EENZIJDIG

Minister Ritzen is achteraf weinig gelukkig met het Elsevier-artikel. “Het is eenzijdig. Wat er niet staat is de procedure die me bij de politieke sturing voor ogen staat, en wat ik als brede context van 'maatschappelijk relevant' zie. Ik wil voortzetten wat we nu al doen: verkenningen uitvoeren van waar het met het onderzoek naar toe moet. Wetenschappers spelen daarin een grote rol, maar ook de overheid, het bedrijfsleven en andere partijen doen mee. Ook het fundamentele onderzoek valt onder die verkenningen. De politiek moet aansturen, anders kunnen die wetenschappers zich niet gesteund voelen door diezelfde politiek. Ik neem afstand van zelfbeheer, dat verliest in de politiek te gemakkelijk zijn draagvlak.”

“De term zelfbeheer slaat nergens op”, vindt Meijerink. “Bij de beoordeling van ons wetenschappelijk onderzoek weegt maatschappelijke relevantie mee, universiteiten zijn allang geen ivoren torens meer. We zijn ermee bezig en de ideeën van de OCV, de Overleg Commissie Verkenningen, nemen we zeer serieus.” Van Duinen vindt dat de minister in zijn op Prinsjesdag gepresenteerd Wetenschapsbudget 1997 “selectief” uit de aanbevelingen van de OCV heeft geput en verwijt Ritzen “dirigisme op microniveau”. “NWO kiest voor oriëntatie op de samenleving, maar wenst geen dictaat te ontvangen waarover het onderzoek de komende jaren moet gaan. Wij bepalen onze eigen programma's en zijn geen gedweeë uitvoeringsorganisatie van het ministerie.”

De discussie wordt ontsierd door karikaturen, zegt Ritzen. “Het is flauwekul te zeggen dat we in Zoetermeer met een paar man alles zitten te bepalen. Het is flauwekul dat het vrije onderzoek in het geding zou zijn, dat onderzoekers elke dag moeten langskomen om te horen wat ze moeten doen. Het is flauwekul dat de politiek wispelturig zou zijn, we hebben de prioriteiten van NWO voor 90 procent gevolgd en met haar nota Kennis verrijkt ben ik zeer verguld. En ook is het flauwekul dat in het Wetenschapsbudget voor fundamenteel onderzoek geen plaats zou zijn. Dat heeft grote maatschappelijke relevantie, om die reden verdedig ik het voordurend. Maerlants wereld is dankzij een pioniersubsidie van NWO tot stand gekomen, uitgereikt op basis van kwaliteit én maatschappelijke relevantie. Fundamenteel onderzoek leidt tot verrijking van kennis, ook cultureel, en dat vertegenwoordigt een belangrijke waarde voor de samenleving. Het is absoluut niet in gevaar, daar steek ik mijn hand voor in het vuur.”

GEMISTE KANS

Ondanks alle gepraat over 'Nederland kennisland' is het totaal van de overheidsbestedingen aan wetenschappelijk onderzoek de afgelopen jaren in ons land gestaag gedaald, zij het minder sterk dan bij de industrie. Om die reden noemt Van Duinen het Wetenschapsbudget 1997 “een gemiste kans”. “We beginnen achter te lopen”, aldus de NWO-voorzitter. “Gezien de accenten die het document op een kennisintensieve samenleving legt is het teleurstellend dat geen perspectief wordt geboden op een verhoging van het onderzoeksbudget.” Ook Meijerink betreurt de achteruitgang maar meent dat Ritzen binnen de mogelijkheden die het regeerakkoord hem bood zich “redelijk staande heeft weten te houden”.

Een heikel punt in de discussie over de inrichting van het wetenschappelijke onderzoek is de kwestie van de overheveling. Al jaren klinkt uit NWO, daarin gesteund door de minister, de roep om meer geld voor de tweede geldstroom - ten koste van de eerste of uit extra middelen. Nu ontbreekt het de organisatie (die nu 12 procent van het universitaire onderzoek stuurt, internationaal gezien een laag getal) in sommige vakgebieden, met name de sociale en biomedische wetenschappen, zo sterk aan middelen dat nog geen vijfde van de onderzoeksvoorstellen kan worden gehonoreerd, ondanks hoge kwaliteit. Wat tot grote frustratie leidt. Van Duinen: “Het is een groot goed dat een flink deel van het geld ongebonden wordt weggezet, dat de universiteiten daar eigen beleid mee kunnen voeren, maar nu is de verhouding tussen eerste en tweede geldstroom zoek.”

Meijerink volgt de verrichtingen van NWO met argusogen (“ze zijn op je centen uit”), maar vindt overheveling niet per definitie slecht. “Maar in de praktijk is ze nu ongewenst, omdat de universiteiten financieel zo sterk zijn uitgekleed dat zo'n operatie organisatorische problemen geeft, zoals extra wachtgelden.” De VSNU-voorzitter vindt met de commissie-Rinnooy Kan (die NWO deze zomer aan een internationale evaluatie onderwierp) dat binnen NWO het nodige moet veranderen. Zo moeten om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen de eigen instituten uit de organisatie weg. “Daar heeft men het moeilijk mee, men zit klem tussen het ministerie en Rinnooy Kan en de spanning loopt op.”

Van de zomer zijn de partijen, waaronder de Akademie van Wetenschappen, een compromis overeengekomen dat de minister in zijn Wetenschapsbudget dankbaar heeft overgenomen. Nog altijd wordt er niet overgeheveld, wel krijgt NWO een vinger in de pap bij het selecteren van toponderzoeksscholen die in de eerste geldstroom extra geld krijgen. Hoe groot die wetenschappelijke eredivisie wordt, is onduidelijk. Van Duinen ziet het voorstel als een “tussenstap” en betreurt dat de minister “geen perspectief” heeft aangegeven. “Hopelijk verschaft de discussie in de Tweede Kamer helderheid.” Ritzen heeft na aanvankelijke scepsis het volste vertrouwen in het compromis. “Geloof me, de Kamer zal er nauwkeurig op toezien. Het zal me niet verbazen als die zegt: 'Gaat de afspraak niet door, dan wordt er automatisch overgeheveld'.”

Hoe krijgen we toponderzoek en hoe brede maatschappelijke betrokkenheid? Dat zijn de vragen die Ritzen bezighouden. “Mensen hebben wat met astronomie”, zegt de minister, “die zien heus het nut van fundamenteel onderzoek. Maar omdat het in verkiezingsprogramma's zelden over wetenschapsbeleid gaat, bestaat het risico dat die belangstelling in de politiek niet tot leven wordt gebracht en het wetenschapsbudget achterblijft. Niettemin, de politiek is de schakel tussen burger en wetenschap, die beslist over het geld. Dankzij de verkenningen tot nu toe is het aantal partijen dat zich bij wetenschappelijk onderzoek betrokken voelt, toegenomen. Dat is mijn zorg: het eigenaarschap verbreden.”

Van Duinen: 'Kennelijk is het bijzonder moeilijk de politiek van het nut van nutteloos onderzoek te doordringen'

Ritzen: 'Het fundamentele onderzoek is absoluut niet in gevaar, daar steek ik mijn hand voor in het vuur'

    • Dirk van Delft