VOOR HET LEVEN MET ELKAAR VERBONDEN

Drie maanden na de glorieuze goudoogst van Atlanta zijn de twaalf volleyballers weer bij elkaar voor een toernooi in Japan. De reünie aan de andere kant van de wereld heeft door het afscheid van coach Joop Alberda én nu ook Ron Zwerver een speciaal karakter. 'Als het in het leven even tegenzit, denk ik terug aan Atlanta.'

Temidden van een volk van kleine mensen lijken de lange mannen nog imposanter dan ze thuis al zijn. De Nederlandse volleyballers moeten diep buigen om de Japanse schoolmeisjes van een handtekening te voorzien, met hen op de foto te gaan of om de meegebrachte cadeautjes aan te pakken. Sommige fans trillen van opwinding en nervositeit. “Het lijkt wel of we van een andere planeet komen”, zegt Bas van de Goor. Voor wie de zinderende olympische finale in Atlanta heeft gezien, is dat niet eens zo'n rare gedachte.

Zelf kijken de volleyballers inmiddels niet meer op van de Japanse aanbidders. De meesten zijn al veel vaker in het land geweest. “Geef mij Nederland maar”,vindt aanvoerder Peter Blangé. “Daar blijf je, ook als je toevallig een beetje aardig kan volleyballen, een janboerenlul en spreken we de kroonprins gewoon met Willem aan.”

Het zijn zeker niet altijd de beste spelers die het populairste zijn bij de Japanse tieners. Naar Blangé en Zwerver wordt nauwelijks omgekeken. Maar oud-international Edwin Benne werd bij elk bezoek overstelpt met geschenken en kreeg thuis in Nederland stapels post uit Japan. Het heeft, zo hebben de volleyballers uitgevonden, te maken met grove kenmerken in het gezicht, uitstekende jukbeenderen of kin. Zwerver lachend: “Zorzi, de Italiaan, heeft een enorme neus, maar ze kunnen hier niet van hem afblijven.”

Het zesdaagse toernooi in Japan wordt door de Nederlandse volleyballers als storend ervaren. Afgezien van de eer en een aardige premie staat er niets op het spel, maar daarvoor moesten ze wel twaalf uur met hun benen in de nek in een vliegtuig zitten. Want olympisch kampioen of niet, er kan voor de 'twee-meters' nog steeds geen riante plek in de business-class af. Blangé: “We zitten in Japan altijd in grote, imposante hotels, maar ik heb liever een sterretje minder en daarvoor in de plaats een betere plaats in het vliegtuig. Zo'n reis is een absolute ramp voor mensen van onze lengte.”

Ondanks de ongemakken vinden ze het leuk om weer samen te zijn. Na een week van uitbundige feestelijkheden na Atlanta zwierven de spelers uit naar hun clubs in Italië, België, Duitsland en Griekenland. Daar begon het gewone leven weer, het dagelijkse trainen en het vele spelen. Tijd om elkaar te spreken, om zoete herinneringen op te halen, was er niet meer. “Daarom heb ik vanaf de eerste dag dat ik in Italië arriveerde naar deze samenkomst uitgekeken”, bekent Bas van de Goor met pretogen.

Het blinkende goud van Atlanta lijkt de twaalf olympische kampioenen voor het leven met elkaar te hebben verbonden. “Als je elkaar ziet, herinnert dat automatisch aan het succes”, zegt Blangé. Alsof ze niet uit elkaar waren geweest, ze pikten de oude gewoonten meteen weer op. Zoals een bepaald woordgebruik dat alleen de ploegleden begrijpen. Van de Goor: “Het is meteen weer zo vertrouwd. Dat maakt het prettig om met deze ploeg samen te zijn. We zijn met twaalf jongens die met z'n allen alles hebben geflikt.”

Het olympisch goud is een verrijking gebleken. Rob Grabert: “Als het in het leven even tegenzit, denk ik terug aan Atlanta. Wat zit ik nou moeilijk te doen, dat ding ligt in de kluis. Die gouden medaille geeft je een zetje. Hij geeft je ook rust.” Eenmaal thuis reageerde iedereen op zijn eigen manier. Zo speelt Henk Jan Held dit seizoen bij het Griekse Olympiakos Piraeus en ging hij met zijn medaille naar het oude Olympisch Stadion in Athene om daar op de foto te gaan. “Dat is leuk voor later.”

Sommige spelers zijn minder euforisch. Olof van der Meulen, toch één van de vaste krachten, denkt zelfs liever niet meer aan het olympische toernooi. “Ik heb niet het idee dat we iets bijzonders hebben gepresteerd. Is dat gek? Misschien komt het omdat ik het in Atlanta niet naar mijn zin had. Ik kon me daar helemaal niet vermaken en het spel wilde ook niet. Joop Alberda zegt dat ik juist één van mijn betere toernooien heb gespeeld. Maar zo voel ik het niet. Ik ben ook geen man van cijfers, maar van emoties.” Van der Meulen wil eigenlijk niet meer over Atlanta praten. “Want dat helpt me nu niet goed te spelen. En we moeten toch verder.”

Maar Van der Meulen speelt in het land van de verliezende finalist (Italië) en de Nederlanders die daar volleyballen worden nog bijna dagelijks aan de Olympische Spelen herinnerd. Soms worden ze bij competitiewedstrijden door de Italiaanse volleybalfans uitgefloten, soms ook toegejuicht. Ron Zwerver, de man van het beslissende punt in Atlanta: “Ik kreeg verleden week voor Italië-Nederland in Milaan zowaar applaus. Dat verbaasde me. Ik ben niet zo populair in Italië. Dat komt omdat ik bij Treviso speel. Dat is een rijke club. Zeg maar het PSV van het Italiaanse volleybal.”

Zwerver en de broers Bas en Mike van de Goor spelen bij hun clubs samen met spelers die in Atlanta tot de verliezers behoorden. De Nederlanders gaan secuur met die situatie om. “Want ik weet maar al te goed hoe rot het voelt om tweede te worden”, zegt Zwerver. Hij nam zijn gouden medaille wel een keer mee naar de club. Om aan het personeel op kantoor te laten zien. “Maar als er dan een Italiaanse international binnenkwam, deed ik 'm snel in het doosje. Dat is het respect dat we voor elkaar hebben.”

Bij Modena gingen de twee Nederlandse winnaars van het goud en de vier 'zilveren' Italianen op verzoek van de club met elkaar op de foto met hun medaille om de nek. Dat moet voor de verliezers geen prettig moment zijn geweest. Bas van de Goor: “Ik heb geprobeerd zo voorzichtig mogelijk te doen. Ik had mijn medaille in mijn heuptasje zitten en ik wilde 'm er pas op het laatste moment uithalen. Marco Bracci zat naast me in de kleedkamer. Hij had het in de gaten waar ik die plak had. Plotseling greep hij naar mijn tasje. Nu wil ik hem zien ook! Toen was die vreemde spanning pas weg.”

Volgens Rob Grabert moet er ook weer niet te voorzichtig met de Italianen worden omgesprongen. “Ze hebben ons door de jaren heen ook niet gespaard. Ik kan me herinneren dat zij bij het EK in Finland lallend langskwamen. Dat heeft bij ons diepe wonden gemaakt.”

De kampioenen van Atlanta zijn inmiddels alweer een paar keer flink verslagen door Italië. Dat vinden de Nederlanders niet leuk, want verliezen is immers nooit leuk. Maar het is eigenlijk wel logisch, vinden ze. De Italianen zijn getergd en willen bewijzen dat de olympische uitslag een vergissing is geweest. “Ze staan nu weer zó koel te spelen”, oordeelt Grabert. “We hebben onderling ook zo iets van: hoe is het toch mogelijk dat we van ze hebben gewonnen. Want ze zijn gewoon beter dan wij!” Zwerver: “Het is echt wonderbaarlijk dat we het hebben geflikt.”

“Het gaat niet alleen om kwaliteit”, weet de oudste van de ploeg, Jan Posthuma inmiddels. “Het verschil tussen beide ploegen was de wil. Natuurlijk wilde Italië in Atlanta ook heel erg graag winnen. Maar wij wilden het toch het liefste. Dat heeft de doorslag gegeven. Ik zag hier in Japan die laatste bal uit de olympische finale op televisie. Giani had die bal kunnen hebben, echt waar. Oké, hij was lastig, maar het had gekund.”

Nederland beleefde zijn inzinking in Atlanta voor de finale. Tegen Bulgarije in de kwartfinale won de ploeg met de hakken over de sloot. Daarna vond een teambespreking plaats waar spelers elkaar zonder omweg vertelden waaraan ze zich irriteerden. Het ging over de meest lullige dingen, bijvoorbeeld de posters aan de muur op de kamers in het olympisch dorp of het volume van de muziek die werd gedraaid. Vooral Guido Görtzen, de jongste basisspeler, kreeg het zwaar te verduren. Hij zou te veel op persoonlijk succes uit zijn geweest en zich te veel hebben bezighouden met zijn vriendin die ook in Atlanta verbleef.

De introverte Limburger bezweek niet onder de druk. Hij spreekt achteraf van “moeilijke tijden”. Görtzen is het ook nog niet vergeten. “Maar ik ben niet haatdragend. Als er nu weer een keer wordt gescholden, denk ik wel: wat ben jij een sukkel, nu gebeurt het weer.” Toch overheerst het voldane gevoel. “Ik heb me kunnen bewijzen. Hoewel altijd andere spelers meer in de picture stonden. Dat was niet zo leuk.”

Görtzen zal straks één van de pijlers van het 'nieuwe Oranje' zijn. Deze week werd de ploeg geconfronteerd met het aanstaande afscheid van Ron Zwerver. Er werd verrast gereageerd, er was begrip en ook teleurstelling. “Ron is een belangrijke schakel. De andere spelers zijn door de jaren heen langzaam naar zijn niveau toegegroeid”, eert Van der Meulen zijn teamgenoot. Twee jaar geleden barstte de Fries na afloop van het WK in Griekenland nog in tranen uit omdat hij zich onheus bejegend voelde door Zwerver, die negatieve uitspraken in de pers over hem had gedaan. “Ik heb het er nooit met hem over gehad. Maar het is wel de wereld uit. Misschien ben ik veranderd, maar Ron is dat zeker. Hij is als mens een stuk prettiger geworden.”

Vrienden zijn ze nog steeds niet, maar respect is er des te meer. Van der Meulen: “Ik zei net nog op de hotelkamer tegen Jan Posthuma: 'Godverdomme, het is toch wel jammer dat hij stopt'. Nee, dat heb ik niet tegen Ron zelf gezegd. Ik weet niet waarom niet. Misschien doe ik dat nog wel een keer.”

Aanvoerder Peter Blangé baalt van het besluit van zijn vriend en kamergenoot. “Ik vind het jammer. We hebben nu een uitstekende ploeg en volgend jaar valt er een mooie Europese titel te verdienen. Ik heb ook last met mijn motivatie, maar ik ben er andere dingen bij gaan doen. Ik ben een huis gaan bouwen. Zoiets had Ron ook moeten doen.” Blangé ziet nog wel een kans Zwerver volgend jaar over te halen om bij het EK aanwezig te zijn.

Zwerver is echter resoluut. “Ik ben geen Heintje Davids.” Dus speelt hij morgen in Tokio tegen China zijn laatste interland. “Ik kijk er naar uit. Het is mooi geweest. Ik heb tien jaar lang de kar getrokken. Natuurlijk is het spelen voor de nationale ploeg het mooiste dat er is. Als ik ook meer had kunnen verdienen bij Oranje dan bij mijn club, was de keuze niet zo moeilijk geweest. Ik besef dat ik nooit meer in het oranje shirt zal spelen. Daarom hoop ik dat ik het straks mee naar huis mag nemen.”