Spanje; 'Geesten Falange' regeren vanuit het graf

MADRID, 22 NOV. Wie uit het zuiden via de autovia terugrijdt naar de hoofdstad, passeert bij de Jardines-pas de Sierra Morena. Op 250 kilometer afstand van Madrid een mooie stop voor koffie-pauze. Voor de nietsvermoedende reiziger die het café-restaurant Casa Pepe binnenstapt, kan het toch wat rauw op de maag vallen. Hier, pal langs de belangrijkste doorgangsroute naar Andalusië, staren een jonge Franco en de door de fascisten heilig verklaarde martelaar, José Antonio Primo de Rivera, de bezoeker manshoog aan vanaf de muren.

Om hen heen, naast de ambachtelijk vervaardigde hammen en kazen, een indrukwekkende verzameling posters, vlaggen, T-shirts, bustes, sleutelhangers en andere fascistische snuisterijen. Ook de beroemde Franco-sherry, ontbreekt niet.

Uitbater Pepe, een kleine, enigszins gezwollen verschijning van rond de vijftig, is vlijtig in de weer met het rangschikken van zijn emmertjes olijven. De vraag wat toch die fraaie schildjes boven zijn bar mogen betekenen, mag het ijs niet breken. Iets met jaarclubs van het plaatselijke corps van Guardia Civil, mompelt Pepe. Niet te koop, de rest wel, zegt hij en keert terug naar zijn olijven. Het speciaal voor de gelegenheid aangetrokken zwarte bomber-jack, noch mijn 'arische' uiterlijk overtuigen kennelijk. In Casa Pepe stelt men geen vragen. Men koopt een Franco-mok en houdt zijn mond.

Deze week werd het weer herdacht, de twintigste november. Eenentwintig jaar geleden is het nu dat de artsen het uitgeteerde lichaam van Francisco Franco lieten overlijden. Precies dezelfde datum waarop Primo de Rivera (zoon van de vroegere dictator) 39 jaar eerder door de republikeinen werd gefusilleerd. Ze liggen elkaar nu stilletjes te vervloeken - de heren mochten elkaar niet zo - in hun gemeenschappelijke graftombe. Daar, in de uitgebikte kathedraal in de bergen ten Noorden van Madrid wordt morgen voor een slinkend gezelschap aan familieleden, oude strijdgenoten, skinheads en andere jongeren die de vlag hebben overgenomen, een mis opgedragen voor beider zielerust.

Het Spaanse fascisme ligt zo op het eerste gezicht veilig opgeborgen achter een muur van graniet en de olijven van Pepe. Anno 1996 heeft de democratie in Spanje een stevige basis. Ultra-rechts speelt politiek geen enkele rol, het leger houdt zich keurig aan de democratische spelregels en de officiële katholieke kerk weet zich hooguit nog belachelijk te maken door de banvloek uit te spreken over het hertrouwen van de vice-premier in het huidge centrum-rechtse kabinet van José María Aznar.

Toch werpt de dictatuur nog steeds een schaduw op Spanje. Spelregel nummer één van de Transitie, de succesvolle Spaanse aanpak van de overgang naar de democratie, was dat er geen enkele afrekening plaatsvond met de vroegere machthebbers. Het recente verleden werd min of meer taboe verklaard in een stilzwijgende overeenkomst tussen links en rechts.

Dat offer voor de lieve vrede heeft de nieuwe democratie echter opgezadeld met een morele boekhouding die er niet doorzichtiger op is geworden. Zo kampen de socialisten van González nog steeds met de zaak rond de doodseskaders. De Grupos Antiterroristas de Liberación (GAL) - een schimmig samenraapsel van huurlingen en politie-agenten - vermoordden in de jaren tachtig zeker 26 mensen in een poging paniek te zaaien onder de aanhang van de Baskische terreurbeweging ETA. Inmiddels moet een twintigtal politie-ambtenaren, militaire spionnen en socialistische beleidsmakers voor enkele GAL-zaken terecht staan.

De socialistische partij wringt zich in allerlei bochten om onder de zaak uit te komen. Maar achter hele ontkenningen en de halve vergoelijkingen van de contraterreur brandt de verontwaardiging. De socialisten, González voorop, waren bereid het Franquistische verleden bij te zetten in het vergeetboek. Maar andersom blijkt de GAL-kwestie de partij en zijn leider aanhoudend als een zwaard van Damocles boven het hoofd hangen. De regeringspartij Partido Popular kampt op een heel andere manier met de zwarte erfenis. En hoewel de PP zorgvuldig de banden met het verleden tracht toe te dekken, kan de partij nog steeds rekenen op de steun van een deel van ultra-rechts. Niet vreemd voor een partij die werd opgericht in de persoon van Manuel Fraga, de grand old man van rechts en voormalig minister onder Franco.

Maar na een half jaartje regeren begint er gaandeweg wat onrust te ontstaan onder de ultra's. Om het voortbestaan van het minderheidskabinet te waarborgen heeft Aznar de steun van Catalaanse en Baskische nationalistische partijtjes nodig. De onderhandelingen hierover hebben vriend en vijand verrast: nog nooit heeft Madrid zo'n uitverkoop gehouden van zijn centralistische staatsmacht ten gunste van de autonomie van Baskenland en Catalonië. Dat is vloeken in de kerk van het sluimerende Spaanse nationalisme. In Madrid gonst het al van de geruchten over de oprichting van een nieuwe partij. Bij Casa PP is het portret van Aznar inmiddels uit de eregalerij verwijderd.

Maar het meest tevreden kunnen de geesten van de Falange nog zijn over de ETA. Het regionaal nationalisme binnen Spanje was welliswaar niet hun uitvinding, integendeel. Maar in zijn anti-parlementarisme mag de Baskische beweging zich een waardig opvolger noemen van hun vroegere tegenpolen. En als Primo de Rivera vanuit zijn graf de straatterreur met molotov-cocktails, geïmproviseerde granaatwerpers en knokploegen beziet, kan hij maar een ding concluderen: afgekeken van zijn falangistische milities in de jaren dertig.

    • Steven Adolf