Rikkert Faneyte: Als honkballer word je geboren

UTRECHT, 23 NOV. Het briefje dat zijn vader hem als kleine jongen liet schrijven is vergeeld, maar hangt nog op dezelfde plek. “Als jij een 'Major Leager' wilt worden”, had Toni Rombley, oud-international en eigenaar van de European Baseball School destijds gezegd, “schrijf dat dan op en hang het boven je bed.”

Danny Rombley is nu zestien jaar, honkballer bij Jong Oranje en hulpinstructeur bij de honkbalschool van zijn vader. Afgelopen week kreeg hij de kans samen te werken met Rikkert Faneyte, de tweede Nederlander die er in slaagde op het hoogste niveau in de Amerikaanse honkbalcompetitie te spelen: de Major League.

In de Veilinghal in Utrecht lopen de instructeurs in honkbaloutfit - blauwe broek, pet en een grijs shirt - van hoek naar hoek om de kinderen bij verschillende trainingsonderdelen in groepjes te begeleiden. De lessen van de European Baseball School zijn gericht op het verbeteren van techniek.

Elke zaterdag trainen zo'n tachtig kinderen op het werpen, vangen en slaan. Rikkert Faneyte traint één dag mee. De 27-jarige Amsterdammer is vijf maanden in Nederland. In februari gaat hij terug naar de Verenigde Staten. Net als vorig seizoen komt hij straks weer uit voor het AAA-team van de Texas Rangers, een niveau lager dan de Major League.

Voor Danny Rombley is honkballen in de VS een droom, voor Faneyte is dat al lang niet meer het geval. De honkballer speelt vanaf zijn 21ste in Amerika. In 1993 maakte hij zijn debuut in het 'triple A team' van de San Francisco Giants. Hij speelde een paar keer in het eerste. Dat is tegelijkertijd ook zijn probleem: hij pendelt in zijn carrière voortdurend op en neer tussen het eerste en het tweede team.

“Je bent een stuk vee”, antwoordt Faneyte op de vraag hoe hij als honkbalprof wordt behandeld. Hij zegt het met een onverschilligheid alsof hij het de normaalste zaak van de wereld vindt. “Je wordt opgeroepen en teruggestuurd wanneer het uitkomt. Je hebt het maar te accepteren.” Vorig seizoen kwam Faneyte slechts zeven wedstrijden voor de Texas Rangers uit in de Major League.

“De afgelopen twee jaar ging het niet lekker. Daardoor vind ik het nu allemaal wat minder: het spelen, het reizen en het leven. In het tweede team honkballen is afzien: het reizen is slecht geregeld, vaak moet je om half vijf je bed uit om een lijnvlucht te halen. Ook de stadions zijn veel minder mooi dan de stadions waar de Majors spelen.”

Toch keert Faneyte elk jaar terug, omdat honkballen voor hem toch vooral “een baan” is. Maar rijk wordt hij er niet van. De salarissen in de triple A zijn met zo'n 1.900 dollar per maand een schijntje vergeleken bij wat de profs in de hoogste afdeling verdienen. Vaste Major Leaguers verdienen miljoenen.

Faneyte hoopt nog steeds dat hij één seizoen in de Major League kan spelen, zonder heen en weer-geschuif. Maar de ambities die hij in het begin van zijn carrière had, heeft hij bijgesteld. “Ik heb geen verwachtingen. Na mijn eerste jaar was ik teleurgesteld. In die periode heb ik serieus overwogen te stoppen en naar huis te gaan. Nu weet ik meer en bekijk ik het jaar voor jaar.”

Als Faneyte met de jonge honkballers werkt, is van teleurstelling in zijn sport niets te merken. Met een glimlach vertelt hij de kinderen keer op keer hetzelfde. “Kijken, kijk dan waar die bal heen gaat!”

Over Faneytes slagtechniek is dikwijls gezegd, dat zijn snelle pols en honkbalinstinct door geen coach is aan te leren. Faneyte is het daar mee eens. “Een honkballer wordt geboren, die maak je niet. Ik kan ze alleen vertellen waar ze de fout in gaan.”

Voor de meeste kinderen van de Utrechtse honkbalschool zal de Amerikaanse competitie en de Major League een droom blijven. “Je moet echt iets speciaals hebben”, zegt Toni Rombley. “En wij richten ons niet alleen op talent. Hier komen ook kinderen die nog geen bal kunnen vangen.” Over zijn zoon Danny doet Rombley een beetje geheimzinnig. “Hij vertelt me niet zoveel meer, maar dat briefje hangt nog steeds boven zijn bed. Vraag het hem maar. Je moet het niet doorvertellen hoor”, voegt hij er samenzweerderig aan toe. “Maar ik denk dat hij het wel redt.”