Nico ter Linden over zijn Bijbelverhalen: 'Hapklare brokken, een beetje plat gezegd'

Hij probeerde zo te schrijven dat het 'goed bekt'. Inmiddels vliegt Nico ter Lindens hervertelling van de Bijbel de winkels uit. In 'Het verhaal gaat...' pendelt hij tussen moderne woorden en de oorspronkelijke tekst. Zo hoopt Ter Linden de mythische Bijbel aan volwassenen terug te geven. Over het geduldige woord God en de troost van verhalen: 'Dit boek is voor mensen die in verwarring zijn.'

Dominee Nico ter Linden maakt zich wat zorgen. Van zijn 'kinderbijbel voor volwassenen', zoals hij zijn boek Het verhaal gaat... zelf noemt, zijn in een maand zijn ruim 75 duizend exemplaren verkocht. De kans is groot dat zijn hervertelling van de Bijbel ook mensen bereikt voor wie hij zijn boek eigenlijk niet heeft bedoeld: orthodoxe kerkgangers uit de bible belt, voor wie elke komma in de Bijbel het heilige woord van God zelf is. Ter Linden (60) heeft geen zin in “gedoe” over religieuze scherpslijperij. Hij had juist de lezers op het oog die zich van de Bijbel hebben afgekeerd.

Hij was gevangenispredikant en pastor in een tbs-kliniek, publiceerde een tiental boeken en is columnist van het dagblad Trouw. Na achttien jaar nam Ter Linden vorig jaar afscheid als predikant van de Westerkerk in Amsterdam. Het afgelopen jaar besteedde hij aan het schrijven van het eerste deel van Het verhaal gaat..., dat een vijfdelige serie moet worden.

In zijn boek legt Ter Linden de Bijbel uit zoals hij vroeger vanaf de kansel deed: vol actuele verwijzingen en verrassende psychologisering, soms op het bizarre af. Met groot respect voor de literaire taal van de Bijbel, maar vrij in de interpretatie ervan. Zo vrij dat de bijbelfiguren uit de twintigste eeuw lijken weggelopen. Het scheppingsverhaal is volgens Ter Linden een fantasie, een “gelovige ballade” die door Israelieten werd opgeschreven om hen te troosten in hun ballingschap. En Jakob en Esau zitten in zijn boek als het ware op de 'School met den Bijbel' in Berseba, omdat vader Isaak “de voorkeur gaf aan bijzonder onderwijs”. “In het isolement ligt onze kracht,” laat hij Isaak als een oudtestamentische Groen van Prinsterer zeggen. Wie zich mocht afvragen hoe Mozes als Egyptisch jongetje aan het Egyptische hof kon weten dat hij eigenlijk een Hebreeër was die zijn volk uit de slaverij moest redden, mag van Ter Linden fantaseren. Bijvoorbeeld dat zijn zuster Mirjam dienstertje werd in het paleis en stiekem Hebreeuwse snoepjes voor Mozes meenam, verpakt in papyrusjes met het Bijbelboek Genesis erop.

Deze maand tourt Ter Linden door Nederland. Begeleid door zang en harpmuziek leest hij zijn bijbelverhalen voor.

Vindt u het leuk, zo'n tournee?

“Ik vind het heerlijk. Ik heb een jaar lang uiterst intensief zitten schrijven en nu is het leuk om weer mensen te zien en om te checken hoe de verhalen klinken. Het is anders of je ze hardop aan jezelf voorleest op je studeerkamer of in een kerk. De verhalen zijn geschreven om te horen. Indertijd al. Ik heb geprobeerd mijn boek zo te schrijven dat het goed bekt en dat het loopt. Met in mijn achterhoofd de eeuwenlange traditie in Nederland dat er aan tafel uit het boek gelezen werd. Jan Wolkers kan daar nog ontroerd over vertellen. Die traditie is verloren gegaan door de zich wijzigende cultuur. Maar nu hoor ik van allerlei mensen dat ze mijn boek aan elkaar voorlezen. Een mevrouw die ik goed ken, kwam na afloop van de voorstelling in Den Haag naar me toe en zei: ik vond het een enig verhalenavondje, ik ga gauw naar huis want mijn man leest me er ook nog eentje voor, voor het slapengaan. Dat waren ze zo gewend. Ze waren bij Noach. Daar heb ik het mede op geschreven. Daarom heb ik ook korte stukken geschreven. Hapklare brokken, een beetje plat gezegd.”

Als Abraham twijfelt aan zijn geloof omdat hij zo lang moet wachten op het beloofde land, schrijft u dat hij eigenlijk een bonnetje wil van God, iets op een briefje. Legt u het verhaal niet erg direct uit?

“De oertaal van de Bijbel is prachtig. Ik blijf in mijn boek dicht bij die archaïsche taal. Maar omdat je het toch een beetje uitgelegd moet hebben, is het mooi om met woorden uit een heel ander taalveld, als het kan niet te populair, te werken. Dus Abraham wil 'een bonnetje' hebben. Zo dadelijk in deel twee moet ik uitleggen waarom Jezus de Zoon wordt genoemd. Nou, ze zijn Jezus de Zoon van God gaan noemen toen ze hem in de ontmoeting als een Godsgeschenk ervoeren. Made in heaven. Als je ontzettend lekker eet spreek je over een godenspijs of over een engel die over je tong piest. Daar is het in enige mate mee te vergelijken. Met iets bovenwereldlijks dat onze wereld binnenkomt. Jezus de Zoon. Daar moet je natuurlijk geen biologie van maken, dan ga je de mist in. Jezus is de Zoon, sprekend zijn Vader. Dat is goed Hollands en heel herkenbaar. Zo haal je het weg uit de mirakelhoek en uit de biologie, waar het niet thuis hoort. Het krijgt zijn oorspronkelijk schoonheid terug. Ik vind het enig om dat met eenvoudige, toegankelijke beelden uit onze werkelijkheid te doen. Ik pendel op en neer tussen moderne woorden en de oorspronkelijke tekst. Dat oorspronkelijke heb ik in cursieve regels laten staan. Dat mag je nooit plat wegvertalen. De Bijbel in omgangstaal omzetten kan eigenlijk niet. Het is geen omgangstaal. Het is poëzie. Ik ben nu bezig met Marcus en daar staat bijvoorbeeld: Jezus ging de berg op. Marie van der Zeyde, die prachtige dingen kan met de taal en dat ook in haar Marcus-vertaling heeft gedaan, slaat af en toe vreselijk de plank mis. Want hier vertaalde ze bijvoorbeeld: Hij ging het bergland in. Dat is rampzalig. Want dan maak je er aardrijkskunde van. En het is geen aardrijkskunde, het is theologie. Jezus gaat de berg van Mozes op. Die plek waar je het dichtst bij God bent. Als Jezus goddelijke woorden spreekt, dan schrijft Mattheüs hem ook een berg op en maakt er een Bergrede van. Want voor hem zijn dat woorden uit den hoge. Uit een andere werkelijkheid. Dat is geen geografie maar theologie. Zoals de maagdelijke geboorte van Jezus geen gynaecologie is maar ook weer theologie.”

Toch blijft het moeilijk om de Bijbel zo te lezen. Hoe komt dat?

“We zijn gaan denken dat er staat wat er staat. We zijn in een onbewaakt ogenblik historiserend gaan lezen. Op de lagere school kregen we vroeger het vak bijbelse geschiedenis. Eerst kregen we les in Willem van Oranje en daarna kregen we les in Abraham. Ik heb op de lagere school nooit anders gedacht dan dat dat twee Vaders des Vaderlands waren. Dan zit je mis. Bij Willem van Oranje kun je in Delft het gaatje in de muur nog zien. Maar Abraham is geen gestalte van vlees en bloed. Abraham is de vader van de gelovigen waarin Israel zichzelf portretteert, het prototype van de gelovige met al z'n ups en downs. Over Willem van Oranje kun je een biografie schrijven. Over Abraham niet. We hebben de bijbelverhalen van hun verhaalkarakter ontdaan. Het heeft heel lang geduurd voordat ik dat echt goed begreep. En nu ik met Marcus bezig ben, moet ik bekennen dat ik dat nog steeds niet goed door heb. Iedere keer tuin je er weer in. Iedere keer denk je toch weer dat het voorval uit het leven van Jezus gegrepen is. En dat is het niet. Het is een verháál dat uit het leven van Jezus gegrepen is. Sommige mensen worden bang als je dat zegt. Want als Jezus niet over het water gewandeld heeft, heeft hij dan ook misschien niet echt geleefd? Maar dat is het verschil met de sprookjes. Want de verhalen zijn ontstaan in een ontmoeting. De evangelisten zuigen het niet uit hun duim. Ze zuigen het uit het leven van Jezus. Als ik zeg dat mijn vrouw een brandnetel is, dan is dat biologisch niet waar. Maar ik zuig het ook niet uit mijn duim. Dat ontleen ik aan onze relatie.”

Veel mensen voelen zich door uw boek aangesproken. Hoe verklaart u dat?

“Na afloop van een kerkdienst in de Westerkerk zeiden mensen vaak nu pas te begrijpen waarom ze als kind die verhalen zo mooi vonden. Daar heb ik veel over nagedacht. Ik vond ze als kind ook prachtig. Ik stelde geen vragen. Ik vond ze mooi. Vertel nog eens van de wolf en de zeven geitjes en van Jezus die over het water wandelde. Beide verhalen troostten me. Met welke gezindheid mijn ouders precies die verhalen vertelden, weet ik niet. Of ze al wisten dat het verhaal van Jezus die over het water wandelt een legende is, is volstrekt niet belangrijk. Ik dronk die verhalen in. Ze bezwoeren mijn angst. De wolf en de zeven geitjes is een verhaal dat de angsten van een kind bezweert. Voordat moeder weggaat, vertelt ze een verhaal over een moeder die weggaat. En het zevende geitje waar we ons mee identificeren verdwijnt in de klok. Komt tijd komt raad. Het is nu donker maar straks is het weer licht en dan komt moeder terug. Een prachtig verhaal dat voor een kind geen uitleg behoeft.

Zo behoeft ook het verhaal van Jezus die wandelt over het water geen uitleg, zolang je nog geen last hebt van de gedachte dat water HO is. Je zit nog veilig in de eerste argeloosheid, de term is van Ricoeur, de argeloosheid van een kind dat geniet en niet differentieert. Als ik tegen een kind zeg: Ik kan je twee verhalen vertellen, één over wat me gisteren in de Kalverstraat is overkomen en één over het bos waar de dieren spreken, dan zegt het kind: je moet ze allebei vertellen. Ik denk dat als ik mijn grootvader op zijn sterfbed het verhaal van Jezus die over het water wandelde had voorgelezen, dat verhaal hem getroost had. Omdat het een Paasverhaal is. Over Jezus die de chaos onder de knie heeft en gaat waar geen weg is, naar het land aan de overkant. Want daar was mijn stervende grootvader ook mee bezig. Kijken of er een weg is waar geen weg is, en of hij naar de overkant kan komen. Veel mensen zijn de Bijbel kwijtgeraakt omdat ze niet bijtijds hoorden dat de verhalen niet in logische taal zijn geschreven, maar in mythische taal. Met dit boek krijgen ze de Bijbel, hoop ik, weer een beetje terug. We hebben de afgelopen jaren naar andere culturen, bijvoorbeeld die van India gekeken. Nu krijgen we weer meer belangstelling voor onze eigen verhalen. Er groeit een generatie op die niet is doodgegooid met Bijbel en kerk. Die willen weten wat er in de Bijbel staat.''

Waar staat u in theologische zin? Bent u liberaal?

“Het is niet typisch liberaal wat ik schrijf. Het is mainstream theologie. Volgens een oud etiket kun je het vrijzinnig noemen, maar dat is een slag die de vrijzinnigheid al lang gewonnen heeft. Ik zeg wat iedere behoorlijke universiteit in Amerika en West-Europa leert. Ik heb wel commentaren geraadpleegd waarvan ik denk dat de auteurs het historiserend lezen nog niet helemaal hebben afgelegd. In een commentaar dat ik heb geraadpleegd over Exodus schrijft de auteur over Mozes en het brandende braambos dat er ook een theorie is dat het een visioen is geweest, maar dat hij persoonlijk gelooft dat het toch een werkelijke ontmoeting was. Die zit naar mijn gevoel op de wip. Wat is het verschil tussen een visioen en een werkelijke ontmoeting? Een ontmoeting met God is toch altijd iets visionairs? Dat is toch nooit fotografeerbaar? Mensen die de eeuwen door zeggen God ontmoet te hebben, Pascal, Kierkegaard, Martin Luther King, Paulus, die hebben het allemaal over een berg, over rook, vuur, vlammen en licht. Die hebben allemaal hun toevlucht in de poëzie gezocht om wat ze overkomen is, onder woorden te brengen. Wat ik dus zeg, daar kijkt in theologenland nauwelijks nog iemand van op. Het afschuwelijke is alleen dat het zo slecht op de kansels doorkomt.”

Wat zullen ze in de zwaar-kerkelijke kring van uw boek vinden?

“Ik krijg behalve dankbare ook boze brieven. 'Nico ter Linden randt de Bijbel aan', kopte de Leeuwarder Courant. Ik roep altijd dat mensen die geen vragen hebben, mijn boek niet moeten lezen. Want mensen die zeggen dat dit boek het woord van God is, worden doodsbang als je zegt dat het een mensenboek is. Kijk, het zou heerlijk zijn als wij hier beneden iets van God hadden. Een boek van God of een mens van God. Dan hebben we houvast. Mensen die daar hun houvast hebben, reageren getergd. Ik vind dat verdrietig. Maar je kunt mensen heel moeilijk van hun angst bevrijden. Discussies zijn zinloos. Als u bang bent in het donker, dan kan ik wel zeggen dat er geen spoken bestaan, maar dat helpt geen bal. Die mensen missen de ontvankelijkheid om te luisteren. De boze brieven die je krijgt zijn ook nooit in de vraagvorm. Ze zeggen dat ze bidden dat mij de ogen zullen opengaan. Echte fundamentalisten en doorgeseculariseerden denken beiden dat de Bijbel niet hoeft te worden uitgelegd, dat er staat wat er staat. Voor de een is de tekst heilig, en voor de ander is het volstrekte onzin.”

Hebben mensen voor wie de Bijbel gesneden koek is, uw uitleg nodig?

“Dit boek is voor mensen die in verwarring zijn. Ik zal u een voorbeeld geven. Vorig jaar werd ik gevraagd voor de Tros-nieuwsshow. Ze waren nieuwsgierig naar dit boek, maar ze vroegen zich af waarom de Bijbel uitgelegd moet worden. Nou, zei ik tegen die mevrouw, als er staat dat Jezus over het water wandelt, moet ik dat wel even uitleggen. Want dat water is geen HO, dat water staat voor chaos. Het is het water dat een mens tot de lippen komt, dat water. Die mevrouw van de Tros wist dat niet, maar toen ik het haar uitlegde zei ze blij verrast: o, gaat het dáár over! Die mensen heb ik op het oog bij het schrijven. Ik heb niet primair aan het kerkvolk zitten denken. Ik ben gevangenispredikant geweest. Als ik in de gevangenis vroeg: noem eens een mooi bijbelverhaal, dan zeiden ze: nou, dat-ie over het water wandelde. Niet dat ik dat geloof hoor, zeiden ze er gauw bij, ik ben dan wel niet zo geleerd als jij maar ik ben toch niet zo dom dat ik dat geloof, maar het is wel een mooi verhaal. In het burgerleven hier in de straat scoort dat verhaal niet hoog. Hier in de buurt hebben ze geen ervaring met zee. Het zijn allemaal keurige levens van keurige mensen. Maar dat het leven onvoorspelbaar is, dat je zomaar kan worden overspoeld, dat je het niet kan bemannen, dat je wankelt en verzuipt, je eigen driften niet kunt besturen om het psychoanalytisch te zeggen, dat is de ervaring van die mannen in de gevangenis. Dus is het voor hen een prachtige fantasie om dat aan de teugels te hebben, dat je tegen de golven kan zeggen: in je mand, en dat die golven gaan liggen. Die mensen voelen waar dat verhaal over gaat.”

Is het mogelijk om te geloven zonder de Bijbel te kennen?

“Er zijn veel geloven zonder Bijbel op de wereld. Maar in de God van Abraham, Isaak en Jakob kun je niet geloven zonder de verhalen uit de Bijbel te kennen. Al die verhalen maken je Godsbeeld. Ischa Meijer interviewde Huub Oosterhuis een keer en hij vroeg: gelooft u in God. Ja, zei Huub Oosterhuis, en hij wou zeggen in de God van Abraham, Isaak en Jakob, maar Ischa was nog in zijn allerroerigste tijd. Hij onderbrak hem en vroeg driftig door. Huub Oosterhuis wou natuurlijk terecht zeggen dat hij niet in de God geloofde van Gott mit uns. God is een geduldig woord. Je hebt de God van het geld en die heet Mammon. Je hebt de God van de buik en daar hou ik ook van. Maar uiteindelijk probeer ik God op het spoor te komen en te blijven die Abraham, Isaak en Jakob op het spoor waren. Daar heb ik die verhalen voor nodig. Er is een mooie geloofsbelijdenis die Edmond Fleg, een Franse rabbijn, voor zijn kleinzoon schreef. Hij eindigt zijn verhaal met te vertellen hoe het geloof van vader op zoon eeuwenlang is doorgegeven. En misschien, schrijft hij aan zijn kleinzoon, zul jij het willen opgeven. Als dat zo is, zegt hij, laat het dan zijn voor een grotere waarheid. Als die er is. Hij relativeert dus zijn eigen waarheid. Hij zegt niet: als je die opgeeft, laat je God en mij, je ouwe grootvader, in de steek. Hij zegt alleen: wat je niet moet doen is deze waarheid inruilen voor iets goedkopers, iets platters. Dat vind ik prachtig. Voor mij is het de grootste waarheid. Ik zeg niet dat het de grootste waarheid ís, want wie ben ik en alle woorden over boven zijn van beneden. Het is maar gestamel en fantasie, en misschien is er een mooiere fantasie. Maar zolang die er nog niet is, put ik eindeloos uit deze.”

U verwijst in de verhalen vaak naar de Tweede Wereldoorlog. Waarom?

“Je kunt aan de oorlog veel illustreren. Daar zie je de strijd tussen de God van de joden en de God van de heidenen onder een vergrootglas. Hitler is een uitvergroting van het heidendom. Het was een godsdienstoorlog, zegt Abel Herzberg, en dat was het. De oorlog was een strijd tussen deze God en de god van de heidenen. Hitler schreef in Mein Kampf, Abel Herzberg heeft me de bladzijde aangewezen, dat het geweten een joodse uitvinding is. Vervolgens is hij bezig geweest zijn geweten tot zwijgen te brengen door dat volk tot zwijgen te brengen. Waar de tirannie heerst, moet de jood onder de grond verdwijnen. Bij Herodes en bij Saddam Hussein idem dito.

Dat zijn oerdingen. Dat heidendom zit natuurlijk niet alleen in Hitler. Ook in mij. De achterhoede van het volk aanvallen, waar de zwakken gaan, dat is wat de tiran Amalek deed. Onmiddellijk inzoomen op de vreemdeling, dat doet de Centrumpartij. De verhalen uit de Bijbel maken je daar alert op. Waar gebeurt het in mijn cultuur? Waar in mijn eigen ziel? Want daar gebeurt het natuurlijk ook, daar wordt ook voortdurend die slag geleverd.''

Bijbeltaal

Een vergelijking tussen de Groot Nieuws Bijbel in omgangstaal (herziene editie 1996), en Het verhaal gaat... van Nico ter Linden

Het visioen van Abram (Genesis 15: 1-3)

Groot Nieuws Bijbel: “Na deze gebeurtenissen kreeg Abram een visioen, waarin God tegen hem zei: 'Wees niet bang, Abram, ik zal je beschermen en je rijk belonen.' Abram antwoordde: 'Heer, mijn God, wat voor zin heeft het mij te belonen? U hebt mij geen kinderen gegeven, ik zal kinderloos sterven en Eliëzer van Damascus, een van mijn knechten, zal mijn erfgenaam zijn.' ”

Ter Linden: “Het is nacht. Abram ligt in zijn tent. Hij kan de slaap niet vatten. Hem is een land beloofd en een zoon. Zou er nog wat van komen? Valt er nog iets te hopen? Want je wilt toch ergens wonen, en je wilt ook vruchtbaar zijn, iets maken, je ergens aan wijden. Zit dat er nog wel in? Is er nog heil te verwachten? Hij is bang van niet. Abram, de geroepene, is zijn roeping kwijt. De hoop is verdampt, de verwachting gedoofd. Het kan zomaar gebeuren. Het is donker om hem heen. Het is nacht.' ”

Jozef en de vrouw van Potifar (Genesis 39: 11-15)

Groot Nieuws Bijbel: “Op een dag, toen hij het huis binnenkwam om zijn werk te doen en er niemand anders van het personeel aanwezig was, pakte ze hem beet en zei: 'Kom bij me liggen.' Maar Jozef vluchtte naar buiten; zijn bovenkleed hield ze in haar hand. Toen het tot haar doordrong dat hij ontvlucht was maar dat ze zijn bovenkleed in haar hand had, riep ze het personeel en zei: 'Kijk! Die Hebreeër die mijn man in huis heeft gehaald, heeft ons een mooie streek geleverd. Hij is bij me gekomen om te slapen. Maar ik riep luid om hulp en van schrik vluchtte hij naar buiten; zijn bovenkleed is hier blijven liggen.' ”

Ter Linden: “ 'Kom eens bij me liggen, Jozef.' Maar Jozef hoorde niet naar haar. Ze roept en ze roept, en Jozef hóórt haar natuurlijk wel, maar hij laat het niet binnen. Dat is geen verdringing van Jozef. Het is een keuze. Potifars vrouw, begerig en aan een ongehoorzame knecht niet gewend, grijpt hem bij zijn kleed, trekt hem naar zich toe, wil hem omarmen, maar Jozef rukt zich los en vlucht, zijn mantel in haar hand achterlatend. Hoe redt zij zich hieruit? 'Help! Help! Ik word aangerand!' Seksuele intimidatie op de Egyptische werkvloer. Mevrouw Potifar zet het op een schreeuwen, want wie niet geschreeuwd heeft, wordt niet geacht te zijn aangerand. 'Help', roept ze, met die mantel in haar hand. 'Help!' ”

De dood van Jozef (Genesis 50: 22-25)

Groot Nieuws Bijbel: “Jozef bleef in Egypte wonen samen met de familie van zijn vader. Hij werd er honderdtien jaar. Hij maakte nog de geboorte mee van de kleinkinderen van Efraïm. De kinderen van Makir, de zoon van Manasse, nam Jozef aan als zijn eigen kinderen. Hij zei tegen zijn broers: 'Binnenkort zal ik sterven, maar God zal zich zeker jullie lot aantrekken. Eens zal hij jullie uit dit land brengen naar het land dat hij aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heeft'. ”

Ter Linden: “Jaren gingen voorbij: Efraïm en Manasse groeiden op en werden vader. Weer gingen jaren voorbij: Efraïm en Manasse werden grootvader. Jozef heeft het grut nog allemaal op schoot gehad. Witte zwanen, zwarte zwanen, wie gaat er mee naar Kanaän varen? 'Ik ga sterven', zei Jozef. Waarschijnlijk moet je heel volwassen worden om het zo kinderlijk te kunnen zeggen. Alsof je gaat slapen: 'Ik ga sterven, ik ben moe, 'k sluit mijn beide ogen toe, Here houdt ook deze nacht, trouwe over mij de wacht'. ”

Het gouden kalf (Exodus 32: 17-19)

Groot Nieuws Bijbel: “ 'Toen Jozua het geschreeuw van het volk hoorde, zei hij tegen Mozes: 'Ik hoor oorlogskreten in het kamp.' Maar Mozes antwoordde: 'Het klinkt niet als het gejuich bij een overwinning of het klagen over een nederlaag. Ze zingen!' Toen Mozes dichter bij het kamp kwam en zag hoe het volk om de stier danste, werd hij woedend. De stenen platen gooide hij stuk aan de voet van de berg.”

Ter Linden: “Het festival kolkt en bruist dat het een lieve lust is, wanneer Mozes boordevol God met de stenen tafelen in zijn hand de berg afdaalt. Reeds uit de verte verneemt hij vreemde klanken, een hels kabaal. Wat hoort zijn oor, wat ziet zijn oog? De vlammen slaan hem uit, hij briest van woede. God nog aan toe! Mozes begrijpt onmiddellijk wat ze daar aan het doen zijn. Hij beseft ook dat deze aanbidding van de eigen levenskracht een mens onherroepelijk tot slavernij voert en weer in 'Egypte' brengt. Want het is een gevangenis, dit heidendom. Het maakt dat een mens slechts in termen van kracht en schoonheid, van succes en vruchtbaarheid over eigen en andermans leven oordeelt. Mozes is razend. Dat dit heeft kunnen gebeuren!”